Van Mei 68 tot mei 2008… DE GROTE SPRONG ACHTERWAARTS


Het was niet de eerste keer dat Mei 68 en zijn generatie verantwoordelijk werden gesteld voor het huidige “verlies van de morele waarden, de crisis van de autoriteit en het delinkwent gedrag van jongeren”. Maar het was wel voor de eerste maal dat een kandidaat voor de Franse presidentsverkiezingen van Mei 68 een expliciet verkiezingsthema maakte.
Op 29 april 2007, op een massameeting in Bercy, één week voor de tweekamp met Ségolène Royal, verklaarde Nicolas Sarkozy dat Mei 68 verantwoordelijk was voor het “intellectueel en moreel relativisme” dat vandaag onze samenleving kenmerkt.
Mei 68, zei Sarkozy, had ons voorgehouden dat er geen verschil bestaat tussen goed en kwaad, tusen waarheid en leugen, tussen mooi en lelijk. De generatie van Mei 68 heeft ons willen doen geloven dat de leerling evenveel waard is als de leraar, dat men geen punten meer moet geven in de klas om zo de slechte leerlingen niet te traumatiseren. Mei 68 heeft ons willen doen geloven dat een slachtoffer minder telt dan een delinkwent, dat er geen hiërarchie meer bestaat, dat alles mogelijk en toegelaten is : gedaan met de autoriteit, de beleefdheid en het respect. Voor Mei 68 was niets nog heilig, niets nog bewonderenswaardig : gedaan met de regels, de normen en de verboden. Het erfgoed van Mei 68, zei Sarkozy, heeft het cynisme geintroduceerd in de maatschappij en in de politiek. De contestatie van elk ethisch houvast en van alle morele waarden heeft de moraal van het kapitalisme verzwakt .

Ten tijde van Mei 68 was ik 16 jaar en nu, 40 jaar later, ben ik leraar in een gevangenis in Brussel, en ik heb een ietwat andere kijk op het verloop van de gebeurtenissen.
Als Sarkozy het heeft over een dieptepunt, dan kunnen we het eens zijn, alleen niet over welk soort diepte. Zo is voor mij een dieptepunt van vandaag het feit dat 1 op 2 Nederlanders voor de herinvoering van de doodstraf pleit, of dat er zoveel mensen in Europa liberaal, rechts en extreem rechts stemmen en dito opvattingen huldigen. Als lid van die (extreem) rechtse politieke klasse, lijkt Sarkozy slecht geplaatst om anderen te les spellen over moraal, over beleefdheid of over het ‘onethisch’ uitstallen van decadente en parasitaire rijkdom. Sarkozy zoekt voor de maatschappelijke problemen van vandaag een spreekwoordelijke zondebok, die hij meent te vinden in de studentenrevolte van 68 die Amerika en alle Europese landen trof. Maar wie gelooft in ernst dat de situatie van een jonge werkloze, een onderbetaalde interimarbeider of een jonge delinkwent van vandaag te maken heeft met een studentenrevolte van 40 jaar geleden ?
En vooral : zijn de praktijken en de opvattingen in de maatschappij van vandaag, een kwestie van verlies van moraal ? Of is het dieptepunt dat we vandaag bereikt hebben een gevolg van heel andere factoren en evoluties die de maatschappij in de voorbije 40 jaar heeft ondergaan ?
Onderstaand stuk is een persoonlijke kijk op de evolutie van de opvattingen en de praktijken op het gebied van gevangenis en straf. Ze zijn voor mij een toetssteen voor de negatieve maatschappelijke evolutie die we sinds het post mei 68 tijdperk hebben meegemaakt.

Van Mei 68...

Een engagement voor mensen in problemen, helemaal beneden of in de marge van de maatschappij, is zelden alleen maar een rationele of een intellectuele keuze. Er zijn de ervaringen, de gebeurtenissen en de invloeden… die de kijk van een mens bepalen en hem een orientatie geven op zijn pad door de wereld.
Voor mezelf was er het opgroeien met een vader “in problemen”. En het besef, dat later kwam, dat alleen zijn opleiding en zijn vaste job bij de spoorwegen hem (en ons) voor een finale val naar beneden hebben behoed. Iets waar ik meer dan eens aan moet denken, als ik vandaag in de gevangenis ben om les te geven en mijn leerlingen bekijk, die vaak noch over scholing, noch over een job beschikken.
Toen ik tien was, organiseerde mijn oudere zus bij ons thuis gedurende een jaar de opvang van enkele kinderen van een Congolese familie “in problemen”. Ze waren van de leeftijd van mijn broer en ik, en we trokken samen naar de lagere school. Later was er mijn jeugdige vriendschap met enkele jongeren, die in een jeugdtehuis voor geplaatste jongeren verbleven, en met wie ik op zaterdagavond uitging. En dan was er het geluk om in het middelbaar onderwijs goede leraars tegen te komen. Een van hen was Achiel Neys, nu hoofd van de Nederlandstalige gevangenisaalmoezeniers. Hij was een tijdlang mijn leraar op het internaat. Hij was niet zoveel ouder dan wij en studeerde criminologie. In plaats van ‘de Heilige Geest’ introduceerde hij vooral ‘de geest van de sixties’ : hij bracht ons in contact met de bevrijdingstheologie in Latijns-Amerika, waarna we zelf, tot wanhoop van de directie, niet de bijbel, maar Régis Debray, Frantz Fanon en Che Guevara begonnen te lezen en van de vlag van de Vietcong ons klassymbool maakten. Hij organiseerde ook de opvang van gevangenen na het uitzitten van hun straf en trachtte ons daar zoveel mogelijk in te betrekken. Onze revolte begon onschuldig, maar zoals vaak, stootte ze op onbegrip en we kwamen al snel in botsing met de autoritaire structuren en de verstikkende schema’s van een katholiek internaat. Na vier jaar dienst als klasverantwoordelijke nam ik ontslag. Ik schreef een een collectief ondertekende protestbrief tegen de hypocrisie en de honger in de wereld naar een katholiek blad, die tot onze verbazing als ‘communistisch’ werd bestempeld. We gingen dwars liggen bij zowat alle goedbedoelde initiatieven om ons op het rechte pad te houden, van bezinningsweekends tot schoolfeesten. We lieten ons haar groeien tot op de schouders. We speelden en regisseerden zelf protesttheater. Samen met enkele klasgenoten richtte ik een rockgroep op, die enkele maanden jeugdclubs en freepopfestivals zou onveilig maken. Op woensdagnamiddag gingen we ‘sociaal werk’ doen bij steuntrekkers of gehandicapten in de streek. En als middelbare scholieren gingen we in solidariteitsstaking en trokken we naar betogingen van al wie in verzet kwam, zoals de solidariteitsbetoging met de mijnwerkers in 70 of de boerenbetoging in Brussel in 71. Bij het begin van het laatste jaar humaniora oordeelde de directie dat het welletjes was : twaalf onder ons werden bedreigd met collectieve uitsluiting. We werden pas terug toegelaten nadat we een papier ondertekenden dat we ons niet meer schuldig zouden maken aan ‘communistische agitatie’. Wat dat ook mocht betekenen.
Toen ik de middelbare school verliet, was mijn keuze zo goed als gemaakt.

…naar 1973.

Ik was twintig, toen ik als kersvers benoemd woordvoerder van de maoïstische beweging « Alle Macht aan de Arbeiders » (AMADA) in de dokwerkerstaking van 1973, voor een maand voorhechtenis in de gevangenis van Antwerpen belandde. De beschuldiging luidde: ‘aanzetten tot oproer’.
Ik had al bij al geen reden om te klagen tijdens die maand: het ging om politieke, en niet om criminele feiten en om een staking die kon rekenen op heel wat sympathie in de publieke opinie (ook in de gevangenis). Ik had een uitstekende advocaat in meester Vandervelpen, de huidige voorzitter van de Nederlandstalige Liga voor de Mensenrechten. Mijn kameraden deden een petitie voor mijn vrijlating, die door zo’n duizend stakende dokwerkers werd getekend. Kortom, iets helemaal anders dan een jonge delinquent die godvergeten in een cel op zijn veroordeling wacht. Toen ik een jaar later veroordeeld werd tot twaalf maand gevangenisstraf, waarvan vier maand effectief, schold koning Boudewijn I mij (en honderden anderen) drie maand gevangenisstraf kwijt, ter gelegenheid van een koninklijke verjaardag. Koningen en presidenten verleenden toen nog « Collectieve Gratie ». En in tegenstelling tot wat men nu doet en denkt werd de wereld daar niet slechter van .
De confrontatie met de staat en zijn gevangenissen had in die periode nog een relatief goedaardig karakter. Niet de “criminaliteit”, maar de sociale strijd was toen een hoofdpunt in de media . “Veiligheid” was nog niet het belangrijkste dossier van de regering. Vandaag lijken we veroordeeld om in de eerstvolgende decennia met steeds meer gevangenissen en steeds meer gevangenen te leven. Het is goed om weten dat België in 1973 maar de helft van de gevangenispopulatie telde van die van vandaag. Geen 10.000 gevangenen, maar 5000 ! En ondanks dat ‘lage cijfer’ stond de zware criminaliteit met moord of doodslag in die jaren op een historisch dieptepunt. Hetgeen meteen ook de bewering tegenspreekt als zou een hoog aantal mensen achter de tralies gelijkstaan met meer veiligheid voor de burgers.

De dokstaking van 1973 was één van de vele, wilde (niet door de vakbond erkende) stakingen die in die jaren door Europa raasden, als ging het om een laatste opflakkering van de radicale arbeidersbeweging, die voelde dat er andere tijden op komst waren.
Het was de periode “post-mei-’68”.
Mijn generatie had school en universiteit achter zich gelaten en was met links-radicaal-idealisme de maatschappij binnen getrokken. Twee elementen speelden hierin een beslissende rol : in de hele wereld waaide een progressieve, anti-kapitalistische wind die uit de derde wereld kwam. De antikoloniale en anti-imperialistische strijd maakte een historische “sprong voorwaarts” , met de overwinning van Vietnam op Amerika in 1975 als hoogtepunt. En ten tweede gingen wij in rechte lijn door op de verwachting, die de ‘dertig gouden jaren’ na de tweede wereldoorlog onder de Westerse jeugd had gewekt : de overtuiging dat we meer en meer economische welvaart zouden kennen en dat rechtvaardigheid en gelijkheid onder de mensen onvermijdelijk realiteit moesten worden. Sommigen van ons gingen in de fabriek werken of vervoegden de sociale strijd als revolutionaire militanten en leden van de talloze linkse organisaties. Anderen begonnen aan de uitgave van een van de even talrijke linkse revues. Enkelen trokken naar Latijns-Amerika om zich aan te sluiten bij een van de talrijke guerillalegers. Nog anderen trokken gevangenissen en psychiatrische instellingen binnen om er vorming te geven en aan ‘alternatief’ sociaal werk te doen of alfabetiseringsprogramma’s op te zetten . Kortom, we waren dragers van een boodschap en een missie, bezield met revolutionaire sympathieën en progressieve intenties. Vandaag zou men zoiets betitelen als : “terroristische sympathieën en intenties” waarvoor je door antiterroristenwetten kan vervolgd worden.

Hoe kort en onbetekenend ook, mijn verblijf van enkele weken in de gevangenis liet sporen na.
Nu, meer dan dertig jaar later, herinner ik me nog altijd mijn te grote schoenen, de kleine cel. Het gebrek aan licht, de douche eenmaal per week, de wc-emmer. Het uur per dag rondjes lopen op de binnenkoer, het contact met de gevangenen van gemeen recht en de manifeste concentratie van sociale miserie en agressie. De militaire bevelen en het licht dat aan en uitging op een vast uur. Geen TV en een radio, waarvan je alleen de luidsterkte kon regelen. Iemand die huilde als een kind in de celwagen. Een binnengesmokkelde sigaret in de cel onder het justitiepaleis in afwachting van de raadkamer. Mijn moeder die eenmaal op bezoek kwam en weende toen ze me achter glas en in gevangenisplunje zag verschijnen. Het was de kennismaking met een wereld die niets positief kon voortbrengen, al was het alleen maar omdat mensen “in problemen” concentreren alleen maar meer problemen kan opleveren. Een kort verblijf in een gevangenis is trouwens iets wat ik iedereen toewens die in de gevangenissector werkt of erover schrijft en zeker aan diegenen die vinden dat een straf nooit hard genoeg is.
Die maand opsluiting had ook een ingrijpend gevolg voor mijn verdere professionele loopbaan. Van toen af was het definitief gedaan met studeren aan de universiteit. Als de opsluiting de bedoeling had mij op andere gedachten te brengen, dan had ze precies het omgekeerde effect : mijn engagement werd er sterker door en ik belandde voor jaren in de leidende groep van de maoïstische beweging in België. Een gevangenisstraf kan iemand eerder bevestigen in zijn daden, dan dat het hem of haar op andere gedachten brengt. Ook dat wordt vergeten in de pleidooien voor meer en langere opsluiting.

Een historische ommekeer

Was 1973 voor ons een ‘hoogtepunt van klassenstrijd, die zich steeds meer en breder en in opgaande lijn zou doorzetten’, op maatschappelijk vlak was het een historisch keerpunt in precies de omgekeerde richting. Iets wat we toen niet konden begrijpen. We wisten theoretisch wel dat er zoiets bestond als “algemene crisis van het kapitalisme” en we hadden boeken gelezen over “de fascisering”. Maar we konden geen idee hebben wat dat in de praktijk betekende en nog minder hoe we moesten omgaan met een wereld die zienderogen veranderde. Van een periode van onafgebroken vooruitgang, van veralgemeende tewerkstelling en progressieve denkbeelden duikelden we vanaf dan in een periode van massale en permanente werkloosheid en van politieke en sociale reactie op alle maatschappelijke fronten. Zo luidde 1973 ook het begin in van een radicale verandering van het gevangenislandschap : “ België is onderdeel van de grote meerderheid van Europese landen die sinds het midden van de jaren 70 een gestage groei kennen van de gevangenispopulatie… Voor al deze landen samen, is de gevangenisbevolking gestegen met 60% tegenover 1970. ”
De redenen voor deze explosie zijn niet eenduidig.
Er zijn de economische redenen. Maar als men de voorbije dertig jaar overschouwt dan zijn er evenzeer twee andere factoren : de val van het socialistische alternatief in 1989 en de oorlog tegen het terrorisme sinds 11/9/2001. Het zijn die drie componenten, die samen de verklaring vormen voor de veranderingen in aantal en samenstelling van de gevangenispopulatie en voor de dominante repressieve en (extreem) rechtse opvattingen in de maatschappij van vandaag. Ze maken duidelijk dat de huidige opvattingen en praktijken over straf en gevangenis minder te maken hebben met ‘toenemende criminaliteit’, dan wel met de complexe boodschap die uitgaat van die drie componenten.

‘Het einde van de opwaartse beweging’.

Vanaf 1973 wordt de bladzijde van de volledige tewerkstelling en de zekerheden die ze meebracht definitief omgedraaid. Wie zoekt naar de wortels van ‘het gevoel van onveiligheid’ en de ‘cultuur van de angst’, vindt ze daar : “...Het jaar 1973 vormt een keerpunt. Met de eerste petroleumcrisis treedt België een lange periode van economische recessie binnen”. “…De jaren 1973-1975 zijn cruciale jaren : de omslag naar structurele werkloosheid betekent het begin van fundamentele omwentelingen.. Ze betekenen voor de loontrekkenden het einde van de zekerheden en luiden het begin in van de ontmanteling van de sociale garanties.”
De cijfers van de werkloosheid breken van dan af alle records. En treft in het bijzonder de jongeren, die moeten opgroeien met de bedreiging van de werkloosheid en weinig toekomstperspectief : ”In het begin van de jaren 70, begint in België de recessie. De economische crisis heeft een gevoelige impact op de tewerkstelling. De constante vermeerdering van de werkloosheid, met opmerkelijke pieken in 1974 en in 1981, is angstwekkend. Van 1972 tot 1986, stijgt het aantal werklozen van 87.000 naar 500.000… Tussen 1970 en 1984 wordt de jongerenwerkloosheid met vijftien vermenigvuldigd. Ze stijgt van 10.475 eenheden naar 152.742…”
Bea Cantillon omschreef de omwenteling als volgt : “Halfweg de jaren zeventig kenden we een abrupt einde van de geweldige evolutie ten goede en de opwaartse beweging in alle Westerse samenlevingen. Dat had onder meer te maken met de omschakeling van een industriële naar een kenniseconomie en de globalisering, waardoor een hoop laaggeschoolde mensen zonder werk vielen” .
Zo zag de haven, die decennia lang als een spons duizenden ongeschoolde dagloners had opgezogen (tot de jaren 50 waren er zo’n 20.000 dokwerkers), zijn aantal arbeiders halveren van ongeveer 15.000 voor de staking van 73 naar zo’n 7000 in het begin van de jaren 80. Een cijfer dat tot op vandaag nooit meer zou overstegen worden. Een vermindering, veroorzaakt door rationalisering, automatisering en robotisering, evenredig met de vermeerdering van de capaciteit, de productiviteit en het ritme van een wereldhaven als Antwerpen.
En de haven was er lang nog niet het slechtst aan toe : de ravages in andere, grote industriële sectoren als de staal, de mijnen, de glasindustrie, de scheepsbouw waren erger.
Als ze niet werkloos waren, konden de arbeiderskinderen, en op de eerste plaats zij die geen normale schoolse loopbaan hadden of die ongeschoold waren, terecht in de dienstensector en/of in een onzekere loopbaan van flexibele, tijdelijke en precaire nep-contracten.
De hele “omschakeling” had dramatische gevolgen voor alle laaggeschoolden, maar trof de migrantengemeenschap in het bijzonder. “ Voor 1974 werd het begrip ‘immigrant’ in hoofdzaak geassocieerd met ‘werk’. Het woord (migrant) had toen een menselijke en universele betekenis. Het was verbonden met het begrip ‘werk’, dat de essentiële, zoniet de enige, sleutel was voor het bestaan van een sociaal weefsel tussen de mensen. Vanaf 1974 wordt het woord geleidelijk aan geassocieerd met een wereld van miserie, sociale kost, clandestiniteit, mensen zonder papieren, gevaarlijke bevolking en gerecht.” De Marokkaanse en Turkse migrantengemeenschap waren, na de Italiaanse, precies naar hier gehaald om in de zware industrie te werken. Zij kregen in de decennia die volgden de zwaarste klappen. Om uit te komen op een veralgemeende verarming, die in omgekeerde verhouding staat tot de bijdrage die ze leverden voor de heropbouw van dit land:“De cijfers zijn gewoonweg hallucinant. In een geval op drie lopen de mensen van buiten-Europese afkomst het risico om hier in armoede te leven. Niet minder dan 56% van de mensen van Marokkaanse origine en 59% van de mensen van Turkse origine hebben een inkomen, dat zich, volgens de gegevens van 2001, onder de Europese armoededrempel bevindt. Voor de mensen van Italiaanse origine is dit cijfer 21%.. 39 % van de mensen van Turkse origine en 25% van Marokkaanse origine moeten maandelijks rondkomen met minder dan 500 €”.
De gevangenisbevolking van vandaag komt dan ook op de allereerste plaats voort uit die sociale klasse die het meest de slagen van de ‘economische ommekeer’ en de sociale achteruitgang heeft moeten incasseren. De armen werden het doelwit van de ijzeren arm van de gerechtigheid, ‘snel en zonder genade’, terwijl de rijken en de hooggeplaatsten vrijwel altijd ontsnappen.

De gevolgen van de “economische omschakeling” waren voelbaar op alle gebieden.
Zo ging zij gepaard met een onomkeerbare achteruitgang van de strijdbare arbeidersbeweging. Zoals de mijnstaking in Groot-Brittannië in 84-85 het laatste grote industriële conflict was voor de mijnwerkers, zo was de dokwerkerstaking in Antwerpen en Gent van 1973 het laatste grote Belgische dokwerkerconflict van vorige eeuw.
De steden veranderden van karakter. De massale en fysieke concentratie van arbeidskracht in de fabriek én in de stad, die haar meteen ook een feitelijke avant-garderol op maatschappelijk vlak verleende, verdween. In de plaats van het oude industriële weefsel kwamen de lofts voor de welstellende kleinburgerij. In plaats van het netwerk van de kleine middenstand kwamen de grootwarenhuizen. In plaats van de sociale controle en de regulerende functie voor de veiligheid die er uitging van de volkswijk en de fabriek, kwamen de bewakingscamera’s en de politie.
Met het verval van de industriële sectoren verdwenen geleidelijk ook de organisatievormen en de media die erop geënt waren. Zo verdwenen de communistische kranten, De Rode Vaan en Le Drapeau Rouge, of de bedrijfsbladen als “De Dokwerker”, waarmee in de fabriek en in de volkswijken deur aan deur ‘gecolporteerd’ werd. De linkse massamedia, die de werkende klasse aanzette tot ‘sociaal denken’ en tot collectieve organisatie en verdediging tegenover het onveilige kapitalisme, maakten plaats voor de media ‘boven de klassen’ en voor informatie gebaseerd op het fait divers, het drama en het schandaal. Hetgeen onvermijdelijk moét bijdragen tot een verrechtsing van de politieke en sociale zeden.

De val van het socialistisch alternatief.

Vanaf 1989 kwam ‘de economische ommekeer’ in een stroomversnelling na de instorting van de socialistische landen. Als we aannemen dat het kapitalisme vooral de rijken en de machtigen beschermt, dan was het socialisme in essentie een systeem dat de armen in bescherming nam. Het moest de ‘verworpenen der aarde’ van een menswaardig bestaan voorzien en hen behoeden voor de oorlogen en crisissen die het kapitalisme veroorzaakt. Het socialisme werd ten gronde gericht werd door zijn eigen fouten, zoals corruptie en gebrek aan democratie, en door druk van buitenaf. Het maakte zich in zijn geschiedenis ook schuldig aan misdaden. Maar ook hier gold uiteindelijk de wet van de twee maten, twee gewichten : één voor de rijken en één voor de armen. Voor de fouten en misdaden die het socialisme beging kreeg dit systeem de guillotine; het kapitalisme wist opnieuw te ontsnappen aan iedere vervolging.
Eens het socialisme ten gronde gericht en verguisd, omspande de “vrije markt” als ‘enig leefbaar economisch systeem en model’ nu de hele planeet. Het sociale tegengewicht viel weg. Met een economische en politieke tsunami tot gevolg.
1% van de bevolking van de planeet heeft vandaag 90% van de totale rijkdom in handen. Het is en blijft deze apocalyptische kloof tussen arm en rijk die op wereldvlak de criminaliteit en de internationale drug- en wapenhandel voedt. De sociale functie van de staat ging er in alle landen op achteruit, ook al zijn de funderingen van de Europese maatschappijen beter beschermd tegen een tsunami dan die in de derde wereld. Ook een rijk en super sociaal verzekerd land als België wordt meegezogen in de spiraal naar beneden, die de mondialisering en de nooit geziene concurrentie teweegbrengen op sociaal vlak. Liberalisering en privatisering duwen de openbare diensten achteruit en schrappen stap voor stap elk initiatief vanuit de staat op het vlak van tewerkstelling en sociale bescherming. Niet werk en sociale voorzieningen, maar ‘aanmoedigen van de ondernemers’ en bestraffen van degenen die op de onderste trede van de maatschappelijke ladder zorgen voor ‘onveiligheid’, wordt de feitelijke prioriteit van de regeringen.

De val van het socialisme had niet alleen economische gevolgen, zoals delocalisatie en het opnieuw opzwepen van de migratiestromen. Er waren ook de ideologische gevolgen. De val van het socialisme plaatste de mensen onderling in een voorheen ongekende concurrentiepositie. Wereldwijd werd een boodschap gelanceerd die men vroeger als ‘aanzetten tot crimineel gedrag’ zou hebben betiteld. Alleen het maken van profijt en winst kon vanaf nu de echte motor zijn voor de ontwikkeling van een maatschappij, ook al betekent dit de schaamteloze uitbuiting van anderen. Ideeën van collectieve solidariteit en humanisme moesten plaats maken voor de wet van de jungle en de ethiek van het egoïsme. Alles dient vanaf nu om winst te maken en komt in aanmerking om gekocht en verkocht te worden, van spoorwegen tot gevangenissen. Zoveel mogelijk bezitten, zo rijk mogelijk worden en zoveel mogelijk consumeren is de maatschappelijke norm en streefdoel, ook al gebeurt dit door parasitaire speculatie of door anderen in de miserie te storten. Niet de maatschappelijke omgeving waarin mensen opgroeien en leven is vanaf nu beslissend, maar de persoonlijke verantwoordelijkheid van het individu of van zijn ouders.

Op politiek vlak werkte de val van het socialisme in Europa als een communicerend vat. Aan de ene kant was er de doorbraak van de rechtse en extreem rechtse massapartijen. Het Vlaams Belang (VB) was dertig jaar geleden nog minuscuul klein en onbetekenend. Vanaf de val van het socialisme (de eerste electorale doorbraak van het VB had plaats op de Zwarte Zondag van 24 november 1991) werd het VB een partij met massa-aanhang rond één centraal thema : ‘Eigen volk eerst’. Deze ‘uitzuivering van het ras’ baseerde zich op een reeks punten, die als één en onlosmakelijk geheel werden naar voor gebracht : het terugsturen van de (‘werkloze en onaangepaste’) migranten naar hun ‘thuislanden’, het instellen van zerotolerantie voor de criminaliteit en de breuk met Wallonië, het armere en ‘rode’ Zuiden van het land.
Het ging om een Europees verschijnsel : in februari 2000 trad voor het eerst sinds de tweede wereldoorlog een extreem rechtse partij, de Freiheitliche Partei Österreichs van Haider, toe tot de regering van een democratisch land. Italië volgde met de regeringsdeelname van de Nationale Alliantie van Fini in 2001. In 2002 was het de beurt aan Nederland met Lijst Pim Fortuyn. Nog in 2002 was Le Pen van het extreemrechtse Front National voor het eerst de tegenkandidaat voor de tweede ronde in de Franse presidentsverkiezingen. Om de verloren kiezers terug te winnen, zal bijna de hele politieke klasse vanaf de jaren 90 het denken van extreemrechts in meer of mindere mate gaan involgen.
Wat de rechtse en extreem rechtse partijen wonnen, werd aan de andere kant verloren door links. Sommige linkse en communistische partijen en organisaties verdwenen. In het algemeen nam wat overbleef van links mee de maatschappelijke bocht naar rechts; extreem, zoals Tony Blair, of soft populistisch, zoals in Nederland. Men zal vandaag geen partij meer vinden die “het (harder) bestraffen van de (kleine) criminaliteit” niet als een programmapunt neemt om de verkiezingen te winnen, met, al naargelang de kleur, wat meer of wat minder nadruk op de zogenaamde sociale preventie.
Het verdwijnen van militante volkse organisaties en partijen, die zich baseerden op het klassenverschil onder de mensen, droeg op zijn beurt bij tot de toenemende ethnicisering en tot de stigmatisering van de gemeenschappen, op de eerste plaats die van migrantenorigine.

De terreur van ‘de oorlog tegen de terreur’.

De oorlog tegen Irak, of meer algemeen de zogeheten ‘oorlog tegen de terreur’, is het voorlopig laatste deel van een drieluik dat een grote sprong achterwaarts heeft veroorzaakt.
Op 19 maart 2008 was het precies vijf jaar geleden dat de ‘Operation Iraqi Freedom’ werd gelanceerd.
Tien dagen voor die verjaardag, vaardigde de Amerikaanse president Bush zijn veto uit tegen een wet die het gebruik door CIA agenten van “waterboarding” en andere vormen van foltering bij ondervragingen wou verbieden. De wet wou dat alle diensten zonder uitzondering bij ondervragingen voortaan the Army Field Manual (het handboek van het leger ten velde) zouden volgen. In dat handboek worden ‘waterboarding, gesimuleerde executie, elektrische schokken, slagen, gedwongen seksuele daden en het ontzeggen van voedsel, water of medische zorgen’ verboden. In een radiomededeling op 8 maart, zei de president: “Dat verbod zou ons een van de meest waardevolle wapens in de oorlog tegen de terreur ontnemen… Dit is niet het moment voor het Congres om praktijken af te wijzen die het bewijs hebben geleverd dat ze Amerika kunnen veilig houden.” Het door de Democraten geleidde congres slaagde er niet in om de twee derden te halen die nodig was om het veto van de president ongedaan te maken. De stemming strandde op 225 tegen 188.
Er was geen democratisch land in de wereld dat hierop een protest liet horen, laat staan eraan dacht om zijn diplomatieke banden met de VS te verbreken.
De ‘pre-emptive strike’ tegen Irak die vijf jaar geleden van start ging heeft tot nu toe volgens het Amerikaans ministerie van defensie aan meer dan 4000 Amerikaanse en bijna 200 Britse soldaten het leven gekost. Voor de Irakese bevolking liggen de cijfers als volgt : “Met meer dan 1 miljoen doden, meer dan 4 miljoen mensen op de vlucht, en nog eens 4 miljoen in een situatie van acute nood, zijn in totaal een derde van alle Irakezen ofwel vluchteling, in nood - of dood.” Hallucinante cijfers die er onze mentaliteit alleen harder en ongevoeliger op maakt : “De duizenden gewelddadige doden hebben de meeste Westerlingen gevoelloos gemaakt voor wat er gebeurt: een bomaanslag die 25 mensen doodt heeft nog nauwelijks nieuwswaarde.”
De oorlog tegen Irak heeft ons op vijf jaar tijd ook teruggebracht tot praktijken en opvattingen, die in onze landen sinds de naziperiode definitief tot het verleden leken te behoren. Of toch niet : elke democratie, die kolonies had, heeft sindsdien wel gefolterd en gemoord om daar zijn bewind staande te houden. Van de Belgen in Congo tot de Britten in Noord-Ierland. Met alle gevolgen ook voor de situatie in de thuislanden. In koloniaal Frankrijk betekende de strijd tegen ‘de Algerijnse terroristen’ een breuk met de progressieve evolutie die er sinds 1945 op strafrechtelijk gebied aan de gang was. “ In het koloniale moederland moesten de rechtbanken voor gemeen recht de auteurs van de ‘terroristische’ opruiing veroordelen. In Algerië werden doodstraf en willekeurige internering verheven tot middelen van de gewone repressie. De strijd tegen het terrorisme en de opsluiting van Algerijnen in de jaren 60 veroorzaakte een verharding van de penitentiaire regels. ‘Veiligheid’ wordt meer en meer de absolute prioriteit op een moment dat de Noord-Afrikaanse gedetineerden een derde van de gevangenisbevolking uitmaken.. De breuk met een progressief beleid is totaal. Opvoedingscultuur is er alleen nog voor de behandeling van delinkwente minderjarigen.”
In de wereld van vandaag is de “oorlog tegen het terrorisme” gemondialiseerd en zijn de gevolgen niet langer beperkt tot een of ander nationaal grondgebied. Hoever dit proces zal gaan is vandaag niet in te schatten. Eén ding staat vast : de oorlog tast nu in àlle democratische landen de democratische beginselen aan en besmet de cultuur en zeden van de bevolking.
Vooreerst zijn alle democratische landen, direct of indirect, op de een of andere manier medeplichtig aan deze oorlog. In 2003 was zelfs België, toen het zich op diplomatiek vlak nog moedig uitsprak tegen de oorlog in Irak, via zijn haven van Antwerpen al een draaischijf voor de wapentransporten naar Irak. Vijf jaar later, nu het zelfs voor de grootste scepticus vast staat dat het om een illegale oorlog gaat die aan de wereld verkocht werd met meer dan “900 leugens over de bedreiging voor de nationale veiligheid van de VS door het regime van Saddam Houssein” , gaan die transporten in Antwerpen ongemoeid door. Eind maart, begin april van dit jaar vertrekt uit Antwerpen opnieuw militair materieel van één van de grote Amerikaanse pantsereenheden, de 2nd Brigade, 1st Armored Division, naar het Zuiden van Bagdad.
Ten tweede is er de medeplichtigheid aan de illegale Amerikaanse praktijken. “Ondanks de algemene kritiek op de inbreuken op de mensenrechten en op de foltering in de Amerikaanse basis Guantanamo op Cuba, heeft het onderzoek van de Sunday Times aan het licht gebracht dat tenminste vijf Europese landen aan de Verenigde Staten de toelating gaven om de bijna 700 verdachten van terrorisme over hun grondgebied te vervoeren.” Daarnaast is er de medewerking aan de ontvoeringen van ‘vermoedelijke terroristen’ door de CIA in de vier uithoeken van de wereld, de zogenaamde ‘extraordinary renditions’. Deze verdachten worden zonder proces, recht op verdediging of contact met hun familie in evenvele hoeken van de wereld in geheime, officieel niet-bestaande gevangenissen ondergebracht (in Europese landen zoals Polen en Roemenië, in de Hoorn van Afrika in Somalië en Ethiopië). Dat gebeurde al dan niet met medeweten van de regeringen, die de CIA toelieten hun luchtruim en luchthavens voor deze illegale vluchten te gebruiken. Wat de foltering en de illegale praktijken betreft : eens men toelaat dat er op een bepaald gebied, in casu de terreurbestrijding, mag gefolterd worden, dan wordt deze praktijk onvermijdellijk aantrekkelijk en grechtvaardigd voor alle andere gebieden. Als de terreurbestrijders door foltering ‘resultaten’ mogen boeken, waarom zouden wij dat dan niet mogen ?
Ten derde zijn er in alle Europese landen uitzonderingswetten et des procédures judiciaires d’exception aangenomen. Deze vormen allen aanslagen op de fundamentele rechten en vrijheden die gerechtvaardigd worden in naam van de strijd tegen het terrorisme en creëren naarmate de jaren verstrijken een permanente uitzonderingstoestand. Er zijn de wetten van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethodes, de wet van 19 december 2003 aangaande de terroristische misdrijven, de wet van 19 december 2003 aangaande het Europese aanhoudingsmandaat, de wetten van 3 mei 2005 aangaande de veiligheidshabilitations of nog de wet van 27 december 2005 om de onderzoeksmethodes te verbeteren in de strijd tegen het terrorisme.
Dit criminaliseringsproces gaat in stijgende lijn. Eerst werd het mogelijk om op verdenking van ‘financiële ondersteuning’ van het terrorisme, dan omwille van ‘betrokkenheid’ bij terrorisme en tenslotte omwille van “publieke provocatie om een terroristisch misdrijf te plegen”, op een zwarte lijst geplaatst te worden. Hetgeen verbod en vervolging mogelijk maakt, mét een verzwaarde strafmaat. Zich op die zwarte lijst bevinden is niet langer het gevolg van een juridische veroordeling, maar van een politieke beslissing. Er is geen verantwoording en motivering nodig ten overstaan van de betrokkene en er wordt niet langer vastgehouden aan de veronderstelling van onschuld.
In België waren de voorlopig eerste toepassingen van de wet op de terroristische organisaties de processen tegen de GICM, de DHKP-C en het zogenaamde kamikazenetwerk voor Irak. De meeste verdachten en veroordeelden werden en zijn onderworpen aan een (voorlopig zwakke) afspiegeling van Guantanamo. Het Comité T stelt in zijn rapport van 2007 : “…Er werden belangrijke ontsporingen vastgesteld inzake de behandeling van personen die worden vastgehouden in het kader van processen voor inbreuk op de anti-terrorisme wet… Er is geen enkele doorzichtigheid voor wat het plaatsen van deze personen in een « speciaal » regime betreft. Tot op vandaag weigert het ministerie van justitie een cijfer te geven over het aantal gevangenen, vermoedelijke terroristen of niet, die onder zulk een speciaal regime vallen… De advocaten zijn nooit op de hoogte gesteld over de manier waarop de beslissingen tot het nemen van bijzondere maatregelen voor de opsluiting van die personen genomen worden… De gevangenen die onder dit regime vallen mogen ondermeer geen enkel contact hebben met medegevangenen. Ze mogen dus nooit deelnemen aan een activiteit in de gevangenis en mogen ook niet deelnemen aan de wandeling. Ze blijven 23 op 24 uur opgesloten en beschikken enkel over één uur « individuele wandeling », dit wil zeggen in een kooi van 2 meter op 3. Behalve de contacten met de advocaten, mogen deze gevangenen uitsluitend, in zeer beperkte mate en achter glas, bezoek ontvangen van hun familie. Hun telefoongesprekken zijn ook beperkt. Wanneer die gevangenen bezoek ontvangen van hun raadsman, bleven agenten voor de spreekkamer staan, hetgeen het beroepsgeheim, dat inherent is aan de gesprekken tussen een advocaat en zijn raadsman, schade toebrengt. De gedetineerden hadden geen enkele toegang tot de sociale diensten van de gevangenis en hun briefwisseling werd systematisch gecontroleerd door de directie. Tenslotte werden deze gedetineerden elke 30 minuten geobserveerd door het kijkraampje van hun cel, en dit zowel overdag als ‘s nachts. Het geheel van deze maatregelen, die voor sommigen onderdelen vormen van foltering of onmenselijke en vernederende behandeling, hebben de Belgische Staat zowel op nationaal als op internationaal vlak veroordelingen opgeleverd….”
Ten vierde wordt, op een tweede niveau, de criminalisering van de politieke en sociale actie meer en meer uitgebreid, zoals Greenpeace-activisten, anti-mondialisten (D14) en journalisten (Douglas De coninck) moesten ondervinden. Maar de belangrijkste criminalisering cristaliseert zich op de migrantengemeenschappen, die meer en meer worden beschouwd als het ‘Paard van Troje van het terrorisme’ in onze landen. De jongeren in het bijzonder dragen hier de gevolgen van : “De reportages over de oorlogen in het Midden-Oosten, het Islamitische terrorisme en de sociale onrust in de banlieus kruisen elkaar en voeden de stereotypen waarvan de jongeren, die afkomstig zijn uit de immigratie uit Noord-Afrika, op een verschrikkelijke manier het slachtoffer zijn.” We zijn getuige van het stap voor stap geografisch in kaart brengen bepaalde bevolkingsgroepen in ‘risicozones’. In België bestaan er al de ‘quartiers difficiles’, met hun Contrats de Sécurité et de Prévention ; in Frankrijk de Zones Urbaines Sensibles (ZUS) ; in Groot-Brittannië ligt het plan op tafel om « elke zone van het grondgebied in kaart te brengen volgens zijn potentieel om extremisten en supporters van Al-Qaida voort te brengen. » De ophitsing van de autochtone bevolking tegen de Islam, de maatregelen tegen de hoofddoek, de aanhoudende provocaties met cartoons en films tegen de moslimgemeenschap bereiden een klimaat voor waarin de progroms, die koloniaal Frankrijk gekend heeft tegen zijn 400.000 Algerijnse migranten, opnieuw mogelijk worden. Ditmaal op Europese schaal.

Dat we uiteindelijk de oorlog in Afghanistan en Irak zullen verliezen, net zoals we alle andere koloniale oorlogen veloren hebben, staat vast.
Alleen is nog niet duidelijk hoeveel lijden dit nog zal kosten. Ik houd mijn hart vast voor een nieuwe terreuraanslag in Europa, die ons dreigt te doen overslaan in naar een nieuwe zwarte periode in onze geschiedenis.
Het is tijd om de oorlog te stoppen.
Nu.

Commentaires