We don't talk to terrorists.. Het Palestijnse verzet op de EU terrorlist


Februari 2009.

In naam van "de strijd tegen de terreur van Hamas en tegen de verspreiding ervan in de regio" heeft Israël eind december 2008 een totale oorlog tegen Gaza gelanceerd en duizenden Palestijnse burgers en kinderen gedood of verwond. Ondanks de terugtrekking van de Israëlische invasietroepen en een wankel staakt het vuren gaat deze oorlog intussen door : de Israëlische luchtmacht voerde begin februari opnieuw luchtaanvallen uit op Gaza; de blokkade van Gaza blijft totaal. Zeev Boïm, een Israëlische minister van de Kadima partij van Livni, zei op 4 februari 2009 op de radio : "Het volgende stadium van onze operaties in Gaza is de uitschakeling van de terrorist Haniyeh". De "terrorist" waarvan sprake, is Ismaël Haniyeh van Hamas, de onder Europees en internationaal toezicht, verkozen Palestijnse eerste minister.

Gaza en The Global War on Terror.
Op het vlak van de psychologische oorlogsvoering is de Israelische oorlogsmachine erin geslaagd zijn om zijn "Israëlische burgers" naar de Westerse publieke opinie toe voor te stellen als "onschuldige slachtoffers van het terrorisme" en zijn agressie tegen de bevolking van ’s werelds dichtbevolkte gebied als een recht op zelfverdediging, in het kader van onze "gemeenschappelijke strijd tegen het terrorisme". Zij speelden hiermee in op de Westerse angst voor terreuraanslagen in het Westen en op het racisme tegen de gemeenschappen van Arabische origine. Dit verklaart ook meteen waarom ook de blanke progressieve publieke opinie in Europa zich beperkte tot protest tegen de bombardementen, maar zich onthield van steun aan het Palestijnse verzet.
De « global war on terror » (GWOT) werd afgekondigd door de Bush administratie na de aanslagen van 11 september 2001 in naam van "het recht op zelfverdediging tegen het (Islamitische) terrorisme", en Israël nam letterlijk de argumentatie over. De bezetting van Palestina door Israël die sinds 60 jaar duurt en de permanente oorlog tegen de Palestijnse volk en het Palestijnse verzet die er uit zijn voortgekomen zijn met andere woorden onderdeel geworden van de Westerse oorlog tegen Ben Laden en al Qaeda.
"Operation Cast Lead" tegen Gaza was een vervolg op andere "Operations", die we kennen als "Operation Enduring Freedom » tegen Afghanistan (2001), en « Operation Iraqi Freedom » tegen Irak (2003). Tijdens het eerste decennium van deze eeuw werd Gaza zo de vierde "Operation" tegen het terrorisme vanwege het Westen en zijn bondgenoten, als men ook de zogenaamde « Tweede Libanese oorlog » tegen het Libanese Hezbollah meetelt (2006) .
De oorlog tegen de terreur is daarmee zowel een vrijbrief geworden om regeringen omver te werpen, als om het eens door de UNO erkende recht op zelfbeschikking van de Palestijnen en zijn rechtmatig verzet tegen kolonialisme en imperialisme met te vernietigen.
The global War on Terror en Europa.
We worden er niet graag aan herinnerd, maar de Amerikaanse War On Terror is sinds lang ook onze, Europese oorlog geworden. Het protest vanwege enkele regeringen op het Oude Continent tegen de invasie van Irak is verstomd; de rangen zijn opnieuw gesloten en in het kader van de NATO levert elk land een toenemende bijdrage voor de agressie tegen Afghanistan. We staan evenmin graag stil bij de gedachte dat de terreuraanslagen, die Europa gekend heeft in Londen (2005) en Madrid (2003), dateren van na en als gevolg van de Europese deelname aan die oorlog tegen de terreur, en niet van ervoor. En even onaangename gedachte is dat ondanks de Europese oproep tot vrede na de eerste en tweede wereldoorlog "Nooit meer Oorlog" de oorlog tegen de terreur nu al langer duurt dan beide wereldoorlogen samen. Alleen wordt hij ditmaal door onze Britse, Nederlandse, Belgische, Franse… troepen ver van huis, buiten het eigen grondgebied en op vreemde slagvelden uitgevochten. Iets wat men niet aan de strijders van Hamas of Hezbollah kan verwijten en iets dat er de Europese leiders, die stellen dat men de conflicten van "ginds" niet naar "hier" moet importeren, niet meteen geloofwaardiger op maakt.
De actuele oorlog tegen de terreur heeft ook de oude koloniale en neo-koloniale oorlogen van Europa van na de tweede wereldoorlog opnieuw tot leven gebracht.
Het gebruik van de benaming ‘terrorist’ door de Europese landen dateert uit de periode toen ze zelf landen bezetten en toen ze de bevrijdingsorganisaties tegen hun bezetting onveranderlijk taxeerden als "terroristen","irreguliere strijders", "partisanen", "subversieven", even onveranderlijk geassocieerd met het internationale communisme. Zo werd het Maleisische Nationale Bevrijdingsleger (MNLA) door de Britten in de periode 48-60 betiteld als "CTs", ‘communist terrorists’. In 1952 werden de Mau Mau vrijheidsstrijders in Kenia door de Britten officieel uitgeroepen tot "terrorists". Hetzelfde gebeurde door de Fransen met de "terroristes" van de Vietminh in Vietnam en met het Front de Liberation Nationale in Algerije, later met de Vietcong door de Verenigde Staten. De lijst is lang.
De Europese antiterreurwetten en maategelen zijn wetten en maatregelen van een continent in oorlog. Zoals we verder zullen zien staat het plaatsen van een organisatie op de terreurlijst gelijk aan het tekenen van een doodvonnis. Niet voor niets is de Europese terreurlijst het voorwerp van onophoudelijke druk vanwege Israël en de VS om organisaties op de lijst te krijgen én te houden.

11 september 2001
Wat antiterreurmaatregelen betreft had Europa (en vooral Groot-Brittanië, Italië en Duitsland), binnen de grenzen van zijn nationale staten, zijn eigen ervaring met de bestrijding van de IRA, de Rode Brigades en de RAF in de jaren 60 tot 80 van vorige eeuw. Er waren ook al collectieve antiterreurakkoorden en engagementen op Europees en internationaal vlak afgesloten vanaf de jaren 70 en op basis van de Uno resolutie van 1999. Maar het Europees engagement in de huidige oorlog tegen het terrorisme dateert van 20 september 2001, 10 dagen na de aanslagen van 11 september, toen de Verenigde Staten en Europa een gemeenschappelijke verklaring publiceerden waarin ze "de wil uitdrukten om samen te werken" en stelden dat ze "op politioneel en gerechtelijk vlak hun samenwerking op de meest krachtige wijze zouden verderzetten". Nog dezelfde dag beslisten de ministers van justitie en binnenlandse zaken van de EU om met de VS onderhandelingen te starten om "de transatlantische samenwerking te verbeteren" om zowel "de samenwerking tegen het terrorisme op gerechtelijk gebied te versterken", als om "de uitwisseling van persoonlijke gegevens tussen Europol en de VS te vergemakkelijken". 20 september was zo de startdatum voor de intense samenwerking tussen de VS en Europa tegen het terrorisme, maar ook voor de invoering in Europa van een hele reeks (uitzonderings)wetten, procedures en maatregelen tegen het terrorisme : het bevriezen van financiële tegoeden bestemd voor terroristen (wat ondermeer betekent dat bankverkeer en verzekeringen worden stilgelegd en reispapieren worden ingetrokken); het invoeren van bijzondere opsporingsmethodes, het verbieden van organisaties, het houden van processen tegen van terrorisme verdachte personen enz. Verschillende Europese landen zullen de internationale strijd tegen het terrorisme ook aangrijpen om hun aanpak van de conflicten in hun eigen land van internationale steun te voorzien (bijvoorbeeld Italië tegen zo goed als onbestaande communistische groepen en Spanje tegen de legale Baskische partij Herri Batasuna).
Centraal in het geheel van maatregelen staat het "Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende de strijd tegen het terrorisme" uitgevaardigd door de Raad van de Europese Unie (de vergadering van ministers van de Europese lidstaten, met een afgevaardigde minister van elke lidstaat; de samenstelling van de Raad kan varieren van landbouwministers tot ministers van justitie of buitenlandse zaken). Dit kaderbesluit is in de loop van de jaren gevolgd door andere kaderbesluiten die de orientatie en het toepassingsveld ervan alleen nog maar hebben verruimd. De laatste aanpassing dateert van november 2008 toen de Raad van de Europese Unie besliste om ook "de publieke aanzetting tot het plegen van terrorisme, de recrutering voor en de training van terroristen of het verstrekken van informatie met het oog op terrorisme " toe te voegen aan de lijst van terroristische activiteiten. Aan de kaderwet werd een lijst van terroristische organisaties en personen vastgehangen, die ook regelmatig upgedate wordt. Het "Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2002/475/JBZ)" bevindt zich in annex van de tekst.

De Europese antiterreurwet en de democratie
Het voorbije decenium oorlog tegen het terrorisme maakte niet alleen honderdduizende menselijke slachtoffers. In het kamp van de Westerse landen zelf heeft de antiterreur oorlog vernietigende interne ‘collaterale effecten’ op alle vlakken van de maatschappij.
Oorlog tegen de terreur gebaseerd op leugens.
Het Amerikaanse Center for Public Integrety publiceerde in januari 2008 een artikel ("The war card: Orchestrated deception on the path to war") over hoe de Bush administratie de oorlog tegen de terreur heeft weten te verkopen aan Amerika en aan de wereld : "Er zijn meer dan 900 (negenhonderd !) leugens verteld over de bedreiging van het regime van Saddam Hussein voor de nationale veiligheid van de Verenigde Staten". Er is naar mijn weten nog geen telling gemaakt van het aantal Europese leugens om de deelname aan de oorlog in Irak of Afghanistan of om het opstellen van de antiterreurlijsten te verantwoorden. Maar als het ooit gebeurt zal de lijst zonder twijfel even indrukwekkend zijn als de Amerikaanse. Een van die leugens is dat de antiterreurlijsten een maatregel zijn vanwege de Europese regeringen om "hun burgers te beschermen tegen terroristische aanslagen zoals in New York, Madrid of Londen".
In werkelijkheid is de Europese anti-terreurlijst een systematisch wapen in de Europese internationale politiek, die zich in de loop van de jaren bijna volkomen is gaan identificeren met die van Amerika en Israël. Dit komt het meest sprekend naar voor in de plaatsing op de Europese terreurlijst van 2003 van àlle Palestijnse bevrijdingsorganisaties, die zich op de Amerikaanse terreurlijst bevonden in 1995. Op binnenlands vlak is de anti-terreurwetgeving een middel geworden voor de Europese regeringen om de solidariteit met het verzet in de Derde wereld land af te snijden en om radikaal en politiek verzet in eigen land te voorzien van het label "terroristisch" en zo wettelijk te doen vervolgen.

De beslissing over de plaatsing op de terreurlijst is in handen van de veiligheidsdiensten.
De beslissingen op Europees vlak over de ‘samenwerking op politioneel en strafrechterlijk gebied’, waaruit de kaderbesluiten en de terreurlijst voortkomen, behoren tot de serie Europese wetten die vallen onder wat genoemd wordt ‘de derde peiler’, dit wil zeggen wetten en besluiten die geen goedkeuring nodig hebben van het Europees parlement. Een unanieme beslissing van de Raad (van ministers) volstaat. En ook het Europees Hof heeft op die terreinen slechts een beperkte bevoegdheid. Een kaderbesluit houdt daarentegen wel de verplichting in voor alle lidstaten om dit besluit om te zetten in nationale wetgevingen, die door de nationale parlementen moeten worden bekrachtigd. Maar deze laatsten weten in de meeste gevallen van niets en geven hun vertrouwen aan de Europese lijst. Onze vertegewoordigers van het volk willen er vooral niet van verdacht worden dat ze een of andere terreurorganisatie zouden willen beschermen of verdedigen. Doe de test en vraag eens aan een parlementair of hij weet hoeveel organisaties hij met zijn stem op de terroristenlijst gestemd heeft, wie ze zijn of waarom ze erop staan en wat de dramatische gevolgen zijn voor de organisaties in kwestie… Nemen we een typerend voorbeeld van wat dan een democratisch "debat" over de terreurlijst is in een Europees parlement. Na een parlementaire interpellatie in de Nederlandse Kamer van Volksvertegenwoordigers in december 2002 waarom de politieke beweging Hamas nog niet op de lijst van terreurorganisaties stond, antwoordde de Nederlandse bevoegde minister : "Sinds 27 december 2001 staat de Izz-al-Din al Qassem brigade (de militaire tak van Hamas) op de EU-lijst van terroristische organisaties waartegen financiële sancties moeten worden genomen (onder andere bevriezing tegoeden). In EU-kader wordt momenteel nog overlegd over de kwestie van plaatsing van Hamas op deze lijst, maar er is geen sprake van de vereiste unanimiteit binnen de EU. In deze discussie spelen argumenten van fungibiliteit van donaties en van onderscheid tussen sociale en gewelddadige activiteiten van dezelfde organisatie een rol. Overigens kunnen, gezien het vertrouwelijke karakter, langs deze weg geen nadere mededelingen worden gedaan over deze beraadslagingen".
Met dit soort informatie die niets zegt moeten de afgevaardigden van het volk het doen. En met de laatste zin van de minister was het "debat" afgelopen.
Het plaatsen op de lijst gebeurt door de ministers van de lidstaten op basis van "de informatie van de nationale veiligheidsdiensten". Die bereiden een voorstel tot plaatsing voor in een ‘working party’, een werkgroep bestaande uit inlichtingendiensten van de lidstaten, vaak op basis van "geheime informatie". Deze werkgroep, zo meldt de Euobserver (28/10/2008), werkt "zonder enige politieke of juridische controle en het zijn zijn beslissingen die daarna door de ministers gewoon de stempel krijgen van "gemeenschappelijke posities" van Europa". Om de zes maand doet de werkgroep een update van de lijst.

De beslissing over de plaatsing op basis van de alliantie met de VS en Israël.
Ter verdediging van de samenstelling van de EU terreurlijst wordt soms aangevoerd dat de Europese landen internationaal gebonden en verplicht zijn om de organisaties die op de terreurlijst van de Verenigde Naties staan over te nemen.
Wat dit laatste betreft, de lidstaten zijn hier inderdaad toe verplicht, alleen is er één probleem : de Palestijnse organisaties komen niét voor op de VN-lijst van terroristische organisaties. Hun plaatsing op de Europese lijst kan dan ook enkel gezien worden als een politieke keuze van Europa voor de VS en Israël en het afwijzen van andere politieke keuzes. Zo is de vraag aan de Raad van de Europese Unie : waarom kon de Europese Raad niet wat de meer dan 50 landen van de Organisatie van de Islamitische Conferentie (Islamic Conference Organisation) wel konden toen ze stelden dat "nationale bevrijdingsbewegingen" en "verzet tegen buitenlandse overheersing" van de definitie van terrorisme moeten uitgesloten worden ? Of indien de Raad niet in dat "Islamitische kamp" wil gesitueerd worden : waarom kan een land als Rusland, dat er moeilijk van verdacht kan worden een sympathisant te zijn van de Islamitische zaak, blijven weigeren om Hamas of Hezbollah op een terreurlijst te zetten en waarom kon Europa dat niet ? Waarom weigert Europa de erkenning van Hamas als een nationale bevrijdingsorganisatie, iets wat door politici als Hugo Chavez (Venezuela), Jimmy Carter (VS) of Gerry Adams (Ierland) en vele anderen bepleit wordt. Een van hen, de Turkse premier Erdogan, drukte het op het laatste World Economic Forum in Davos, Zwitserland, zo uit : "President Obama moet zijn definitie van terreur en terroristische organisaties in het Midden Oosten herzien. Op basis van die nieuwe definitie moet er een nieuwe Amerikaanse politiek komen voor het Midden-Oosten."

Iraanse mudjahedin van de lijst en Hezbollah op de lijst ?
Volgende voorbeelden illustreren dat het, behalve de veiligheidsdiensten, de politieke krachtsverhoudingen, de bondgenoten en het lobbywerk zijn die beslissen over een plaats op de Europese terreurlijst.
Op 26 januari 2009 voerde de Raad van de Europese Unie de Iraanse "Organisatie van de Mujahedin van het Volk" (PMOI) af van de lijst van Europese terreurorganisaties. Sinds het ontstaan van de lijst zijn er in totaal 18 individuen en vijf groepen afgevoerd, maar het was de eerste keer sinds het bestaan van de lijst dat de Raad besliste om een organisatie af te voeren op basis van een gerechtelijke uitspraak. De Europese ministers van buitenlandse zaken behandelden de zaak als een" A punt", dit wil zeggen als een punt op de agenda waar niet over gediscuteerd wordt. Het label ‘terroristische organisatie’ vervalt dus voor de PMOI en de organisatie mag bijvoorbeeld vanaf nu fondsen inzamelen in Europa en heeft toegang tot alle instellingen. De dag erop gaf het Europese comitee "In Search of Justice" (ISJ), dat zo’n 2000 parlementairen van de 27 lidstaten groepeert, een persconferentie in Brussel waarop ze stelden dat de overwinning voor de PMOI bekomen werd na "een zeven jaar durende gerechtelijke en politieke strijd, met 50 massabetogingen, 800 sit-ins en 21 getuigenissen van eminente Europese juristen." Wie zal ontkennen dat het de Westerse en Israëlische politiek tegen Iran is die van wat vroeger een ‘terreurorganisatie’ was, plots een bondgenoot maakt, alle informatie van alle veiligheidsdiensten ten spijt ?
Een politieke beweging in tegengestelde richting, namelijk om een organisatie op de terreurlijst te toe te voegen, is aan de gang tegen Hezbollah sinds de laatste helft van 2008. Het toont goed hoe de criminalisering van het verzet door Europa in zijn werk gaat, hoe ze over alle partijgrenzen heen loopt en van welke politieke drukkingsgroepen ze uitgaat.
Op 16 juni 2008 verscheen er een "Geschreven Verklaring" (‘Written Declaration") vanwege Alexander Alvaro van de Duitse liberale FDP, Paulo Casaca van de Portugese Socialistische Partij en medevoorzitter van de "Friends of a Free Iran", Jana Hybášková, voorzitster van de Tsjechische Christen-democraten en voorzitster van de Delegatie van het Europees parlement voor de Relaties met Israël, Józef Pinior van de Poolse Sociaal-democraten en Helga Trüpel van de Duitse Groenen om alle Europese lidstaten aan te manen ook Hezbollah op de Europese terreurlijst te plaatsen. Deze verklaring kreeg intussen de steun van 79 europarlementsleden.
Hun argumentatie hiervoor bestaat uit één konkrete beschuldiging. Hezbollah zou tijdens de eerste helft van de jaren 80, dit wil zeggen nu zowat 25 jaar geleden, verantwoordelijk zijn voor vier aanslagen : "3 tegen Fransen in Libanon en Frankrijk en 1 op een restaurant op Madrid". De argumentatie bevat verder onder meer volgende stellingen : "(B) gezien het feit dat Hezbollah een directe bedreiging voor de veiligheid van de EU…(F). gezien het feit dat zes landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Nederland, Hezbollah al op de lijst van terroristische organisaties hebben geplaatst en dat andere landen, zoals Duitsland en Frankrijk al gerechtelijke actie ondernomen tegen Hebollah, (G). gezien Hezbollah een dreiging betekent voor de EU soldaten van Unifil, (H). gezien Hezbollah steun geeft en samen werkt met terroristische groepen op de terrorismelijst van de EU, zoals Hamas…"
Met andere woorden, behalve beweringen waarvoor geen enkel bewijs wordt aangevoerd, is voor de indieners het feit dat men in één land op een terreurlijst staat voldoende om ook in andere landen op de lijst te komen. Het feit dat Hamas op de lijst staat wordt een argument om iedereen die er contact mee heeft of er mee samenwerkt ook op de lijst te plaatsen. Een principe dat zoals we verder zullen zien ook zal worden toegepast op alle humanitaire organisaties. De voorbeelden in de argumentatie over het Verenigd Koninkrijk (VK) en Nederland zijn overigens fout, omdat het VK alleen de militaire en uitvoerende arm en niet de politieke beweging op zijn lijst heeft staan. En ze zijn tegelijk sprekend omdat zowel het VK als Nederland de beste bondgenoten zijn van de VS in Europa : in tegenstelling tot vele andere Europese landen namen beide landen deel aan de Amerikaanse oorlog tegen Irak.
Deze "Geschreven Verklaringen" zijn regelrechte oproepen tot criminalisering en zijn niet zo onschuldig als ze op het eerste zicht lijken. Ze creëren een politiek klimaat dat een plaatsing op de lijst moet mogelijk maken en hebben nu al het effect om nationale parlementen te pushen om een organisatie die niet op de terreurlijst staat al wel als dusdanig te behandelen en normale politieke contacten met haar onmogelijk te maken. Een voorbeeld kregen we daarvan in Brussel op 15 december 2008, twee weken voor de inval in Gaza. Toen organiseerde de Internationale Unie van Parlementairen voor Palestina (IUPFP) een geslaagde conferentie over "Gaza, de grootste gevangenis ter wereld", in de conferentiezaal van het Belgische parlement. Hassan Khreiseh, vice-voorzitter van het Palestijnse Parlement, Hussein Al Haj Hassan, Libanees Hezbollah volksvertegenwoordiger, Abdullah Kassir, secretaris van de IUPFP en hoofd van het televisiestation Al Manar namen er, samen met Greta Berlin van de Free Gaza Movement, het woord voor 120 deelnemers, waaronder enkele zeldzame moedige parlementairen. De dag erop schreeuwde de Belgische pers : "Schandaal !" Nee, niet over het drama van Gaza, maar over de aanwezigheid van Hezbollah in het parlement! In de grootste Belgische krant, Het Laatste Nieuws van 16 december 2008, schreef hoofdredacteur Luk Vander Kelen zijn editoriaal onder de titel : "Terroristen in het Parlement". Zoals gezegd staat Hezbollah niet op de Europese lijst van terroristische organisaties staat, maar dat is voor een hoofdredacteur van de grootste Belgische krant geen belemmering om te schrijven over "de vrienden van de terreur" of nog : "Op zichzelf is er niets mis (sic) met een conferentie over Palestijnse gevangenen…De deelname van prominente Hezbollah-leden is wel een probleem. Deze organisatie strijdt voor de vernietiging van een bevriend en door de internationale gemeenschap erkend land en wordt rechtstreeks gefinancierd door de Iraanse dictatuur die hetzelfde programma heeft. Dat vertegenwoordigers van de terreur optreden in het hart van de democratie, met medewerking van een democratische partij, is schokkend…"
De krant De Standaard van 16 december ging in dezelfde zin. De krant wijdde een paginagroot artikel aan hetzelfde thema (dit wil zeggen aan Hezbollah en niet aan de situatie in Gaza) en meldde hoe de parlementaire fracties van "CD&V, Open VLD en SP.a zich van de aanwezigheid van Hezbollah in het Belgisch parlement distancieerden". De krant citeerde de parlementsvoorzitter en huidig Belgisch eerste minster Herman Van Rompuy die zei : "Elke aanvraag voor een conferentie vanwege Lahsaini (de ecolo-volksvertegenwoordiger die de conferentie in het parlement mogelijk maakte, nvdr) of met een Palestijns logo (!!!) zal voortaan met argusogen bekeken worden". De conferentie van 15 december en de reacties erop geven een goed beeld van de geestesgesteldheid van de politieke en mediawereld 14 dagen voor het eindoffensief tegen Gaza begon.

Dick Marty : "Op de lijst = doodvonnis".
Over de samenstelling van de Europese terreurlijst stelde Europees rapporteur Dick Marty in zijn rapport aan de Raad van Europa ("Provisional draft report on UN Security Council and European Union blacklists" november 2007), dat "zowel op VN- als op EU-niveau, niet wordt voldaan aan de minimale procedures om rechtelijke waarborgen te garanderen"…De lijsten vormen een inbreuk op de elementaire principes van de rechtsstaat en de mensenrechten". Voor de betrokkenen is er immers "geen kennisgeving en adequate informering voorzien over de aanklacht en de beslissing daartoe; geen recht op hoor- en wederhoor om zo op adequate wijze te ageren tegen de aanklacht(en); geen mogelijkheid dat het besluit dat iemand in zijn rechten raakt, binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk, zelfstandig orgaan dat het besluit kan wijzigen of vernietigen, kan worden beoordeeld; geen mogelijkheid tot schadevergoeding, indien de rechten van een persoon of organisatie zijn geschonden". "Een vage verdenking is genoeg om op de lijst te komen, en op de lijst staan staat gelijk aan een doodvonnis", zo stelde Marty nog.
Het plaatsen van Hamas op de lijst stond inderdaad letterlijk gelijk met het tekenen van een doodvonnis. Zonder de behandeling van Hamas door de VS en Europa als "een terroristische organisatie" gedurende de afgelopen tien jaar, in plaats van als een legitieme partij voor nationale bevrijding die twee jaar geleden aan het hoofd kwam van een democratisch verkozen regering, hadden de gebeurtenissen nooit de wending kunnen nemen die ze in de oorlog van december 2008 en januari 2009 in Gaza hebben genomen. Het Westen had in een proces dat al tien jaar loopt Hamas en Gaza inderdaad ter dood veroordeeld, Israël hoefde alleen alleen nog maar de executie uit te voeren.

De Europese antiterreurwet en de solidariteit.
De toenemende afstomping van de Westerse publieke opinie.
"De strijd tegen het terrorisme" is een politieke en ideologische wurggreep geworden die de Westerse publieke opinie, politici en media gevangen houdt. Hij zorgt ervoor dat er zich in onze landen een toenemende afstomping en gevoelloosheid ontwikkelt. Het is een gevoelloosheid die zich ontwikkelt tegenover het onnoemelijk menselijk leed dat die oorlogen met zich meebrengen, maar bij uitbreiding een afstomping en een gevoelloosheid die zich installeert in het geheel van de samenleving. Wie zich bijvoorbeeld terecht zorgen maakt over het soort maatschappij waarin onze kinderen in het Westen opgroeien, of over de algemene verrechtsing van onze maatschappijen kan de oorlog tegen de terreur en zijn gevolgen niet terzijde schuiven.
Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz schreef : "De duizenden gewelddadige doden hebben de meeste Westerlingen gevoelloos gemaakt voor wat er gebeurt: een bomaanslag die 25 mensen doodt heeft nog nauwelijks nieuwswaarde." Maar zelfs toen de Israëlische horror in Gaza elke dag in het nieuws was, had dit niet het effect om ons massaal op straat te brengen : binnen het wereldwijd protest werd de eer van het Westen enkel gered door de massale betogingen van de gemeenschappen van migrantenorigine. In de Amerikaanse krant The Nation van 2 februari 2009 schreef John Tirman van het Center for International Studies van het Massachussetts Institute of Technology over de oorlog tegen Irak:
"…We naderen de zesde verjaardag van het begin van de oorlog… de balans tot op vandaag is : tussen de 800.000 en 1.3 miljoen "excess deaths" (doden tengevolge van het oorlogsgeweld)… tussen de 1 à 2 miljoen oorlogsweduwen en 5 miljoen wezen…4,5 miljoen mensen op de vlucht…"
Na dit bericht heb ik geen enkele Westerse politicus ontslag weten nemen, of misschien heb ik de krant gemist die op 3 februari een speciale rouweditie voor de slachtoffers heeft uitgebracht. Laten we eerlijk zijn, de lijken, de cijfers.. het beroert ons niet meer, het lijkt erop of we het allemaal al duizend keer gehoord hebben.

Geen genade voor terroristen.
De strategie om elk verzet onder één noemer van"religieus islamitisch fanatisme en terrorisme" te plaatsen heeft zijn doel niet gemist, niet in de landen waar de bommen gedropt worden, maar ook niet bij de Westerse publieke opinie.
Media en politiek hebben ons geleerd dat wij in oorlog zijn, niet met erkende regeringen of bewegingen die een bevrijdingsstrijd leveren, maar met barbaarse terroristen, gedeshumaniseerde wezens, waarmee niet gepraat of onderhandeld wordt, die niet op mededogen of solidariteit moeten rekenen en die niet onder de bescherming van de internationale wetten hoeven te vallen.
Na de tweede wereldoorlog wilde de wereld de nazi-gruwelen nooit meer terug zien komen. Mede onder druk van de Soviet-Unie en een wereldwijd anti-oorlogssentiment werden de Internationale Verklaring van de Rechten van de Mens, de Conventies van Genève en andere internationale akkoorden aangenomen. Maar tijdens de oorlogen die Westerse landen voerden tegen de onafhankelijkheid van hun kolonies kwamen heel wat Nazi praktijken terug in gebruik en ook in de thuislanden zelf bleven de gevolgen niet uit. In koloniaal Frankrijk bijvoorbeeld werden de 400.000 Algerijnse migranten het slachtoffer van regelrechte moordende progroms, in naam van de strijd tegen het Algerijnse FLN. Weinige Fransen wilden of durfden toen hiertegen protesteren. De strijd tegen ‘de Algerijnse terroristen’ zorgde ook voor een regelrechte breuk met een progressieve evolutie die daar in de maatschappij sinds 1945 aan de gang was, ondermeer op strafrechterlijk gebied. Denis Salas schreef hierover : " In het koloniale moederland moesten de rechtbanken voor gemeen recht de auteurs van de ‘terroristische’ opruiing veroordelen. In Algerië werden doodstraf en willekeurige internering verheven tot middelen van de gewone repressie. De strijd tegen het terrorisme en de opsluiting van Algerijnen in de jaren 60 veroorzaakte een verharding van de penitentiaire regels. ‘Veiligheid’ werd meer en meer de absolute prioriteit op een moment dat de Noord-Afrikaanse gedetineerden een derde van de gevangenisbevolking uitmaakten.. De breuk met een progressief beleid was totaal". (La volonté de punir, essai sur le populisme pénal, pg 37, Hachette Littératures 2005).
Naar het einde van de dekolonisering hadden brede lagen van de Europese publieke opinie zich willens nillens verzoend met het idee dat strijd voor overleven en vrijheid door volkeren en nationale bevrijdingsbewegingen tegen het kolonialisme en imperialisme legitiem was en dat de folterpraktijken in Algerije, de massaexecuties of de Agent Orange bommen in Vietnam en andere Westerse gruwel niet toelaatbaar waren. Een deel van de Westerse publieke opinie, op de eerste plaats de jongeren, koos zelfs radikaal en openlijk de kant van het verzet : Mei 68, de sympathie voor Che Guevara en Cuba, de vreugde midden van de jaren 70 voor de Vietnamese overwinning op Amerika of voor de intrede van Yasser Arafat in de UNO, … het waren er allemaal uitingen van.
De huidige oorlog tegen het terrorisme heeft de klok radikaal teruggedraaid en ons terug naar "af" gebracht : de oude koloniale oorlog, waarbij "de wilden", de "onbeschaafden", "de communisten" van toen nu "Islamitische terroristen" worden genoemd, is terug, en, net als toen, zijn alle middelen goed. De namen van Guantanamo, Baghram, Abu Ghraib, Gaza zijn al onderdeel van ons collectief onderbewustzijn; de progressieve evoluties in de maatschappij, waaronder die op strafrechterlijk vlak sinds de jaren 60, zijn afgebroken en de gevolgen zijn zichtbaar in alle Europese landen.
Het verschil met vroeger is dat de oorlog en zijn gevolgen niet langer gebonden zijn aan het kolonialisme van één land, maar gelden voor een heel continent. Wat de Algerijnse gastarbeiders waren in het koloniale Frankrijk, is vandaag de migrantengemeenschap uit het hele Midden-Oosten en Azië, verspreid over alle landen van Europa. En net als in het koloniale Frankrijk van toen is het protest in Europa tegen de toenemende criminalisering waarvan ze het slachtoffer zijn erg zwak. Een ander verschil is dat ‘terrorisme’ vandaag gelijkgesteld wordt met "Islamitisch fundamentalisme" en "Al-Qaeda" en dat de breuk met de Westerse blanke progressieve publieke opinie daardoor compleet is. Vroeger stond ‘terreur’ gelijk aan "communistisch", hetgeen in Europa de identificatie met en de steun voor het verzet in de Derde Wereld objectief vergemakkelijkte, wegens het bestaan van de Sovjet-Unie en de communistische en socialistische massapartijen.

Terug naar de essentie van de Palestijnse bevrijdingsstrijd.
Een terugkeer naar de solidariteit en het stoppen van de desastreuze binnenlandse effecten op de Europese maatschappijen vergt een terugkeer naar de essentie van het Palestijns conflict en naar de positie van steun aan de nationale bevrijdingsstrijd van het Palestijnse volk. Wat Algerije was voor Frankrijk, of Congo voor België, of Kenia en Ierland voor Groot-Brittanië is Palestina vandaag voor het continent Europa. Links en progressief Europa moet terug naar de periode van voor de "oorlog tegen de terreur", van voor de alleenheerschappij van de VS als enige supermacht, en terug naar de positie van de Derde Wereldlanden en de UNO uit de periode tevoren.
Het was de eerste Afro-Aziatische Conferentie van ongebonden landen in Bandung (Indonesië) in april 1955 die de aanzet gaf voor de wereldwijde veroordeling van Israël en voor steun aan de Palestijnse bevrijdingsstrijd. 29 Aziatische en Afrikaanse landen, waarvan er velen pas onafhankelijk waren, onder de leiding van Nasser (Egypte), Chou en Lai (China), Ho Chi minh (Vietnam), Soukarno (Indonesië), Nehru (India) namen deel aan de conferentie dia als doel had de economische en culturele samenwerking tussen hun landen te bevorderen en het kolonialisme en het imperialisme te bevechten. Israël was uitgesloten van deelname aan de conferentie en Gamal Abdel Nasser veroordeelde er "de UNO en het Westen voor hun medeplichtigheid de verdrijving van het Palestijnse volk uit Palestina". De Afro-Aziatische Conferentie van de Volkeren in Cairo en in Accra in 1958 and 1960 veroordeelden Israël als een "neo-kolonialistische staat". Israel werd aangewezen als "de speerpunt van het kolonialisme" op de conferenties van het Casablanca Bloc in 1961. Op 20 november 1963 vaardigde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties "the International Declaration on the Elimination of Racism and Racial Discrimination" uit. Op de Tricontinentale conferentie van Havanna in januari 1966, op initiatief van Mehdi Ben Barka, Che Guevara en Fidel Castro, waaraan 82 delegaties uit Azie, Afrika en Latijns-Amerika deelnamen, spraken de afgevaardigden zich in een motie uit voor "totale steun aan de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie en aan strijd om zijn vaderland te bevrijden", "de zionistische staat Israël werd veroordeeld als zijnde een basis van het imperialisme, een instrument voor agressie en voor economische, politieke en culturele pentratie van het imperialisme in de drie continenten." De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid in 1973 en 1975 stemden de resoluties die het zionisme veroordeelden als een vorm van "kolonialisme en racisme". Op 13 november 1974, hield de "terrorist" Yasser Arafat een toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin hij het zionisme veroordeelde als een "racistische, imperialistische en kolonialistische ideologie." Arafat kaderde in zijn toespraak de Palestijnse zaak binnen de nationale bevrijdingsstrijd van de andere volkeren in de wereld en verdedigde er het beginsel van één democratische Palestijnse staat waar christenen, joden en moslims samenleven. Op 22 november 1974 werd de Palestijnse Bevrijdingsorganisaties de eerste organisatie die werd toegelaten met het statuut van waarnemer op de algemene vergadering van de VN.
Van een internationaal erkende bevrijdingsstrijd in de jaren 70 naar een internationale strijd tegen de terreur vandaag : we zijn mijlenver weggedreven van de principiële posities en de solidariteit van toen. Anno 2009 eist men aan Hamas om (1) het bestaansrecht van Israël te erkennen (2) af te zien van de gewapende strijd (3) de Osloakkoorden te onderschrijven ! Hamas verdedigt vandaag niet veel anders dan de positie van Arafat voor de UNO in 1974. Men zou aan de internationale gemeenschap moeten vragen om opnieuw de posities die ze innam in de jaren 70 te onderschrijven.
Het ijveren voor een terugkeer naar een principieel politiek programma en naar een erkenning van het Palestijnse verzet, dit wil zeggen hun de-criminalisering en hun de-listing van de Europese terreurlijst, is vandaag een eerste taak voor iedereen die zich progressief noemt. Het kan een eerste stap zijn naar een Europees front tussen de migrantengemeenschappen en andere progressieve krachten in Europa samen met de krachten voor nationale bevrijding in Palestina, hetgeen op termijn onvermijdelijk een finaal einde zal maken aan de kolonisering van Palestina en de oorlog, zoals in de jaren 60-70 gebeurde met de Vietnamoorlog en in de jaren 80-90 met het Apartheidsbewind.

Hoe Hamas op de EU terreurlijst belandde…
1995 : Het Palestijnse verzet op de Amerikaanse lijst van terroristische organisaties…
Hamas komt historisch voort uit de Moslimbroederschap in Palestina. Deze laatsten vormden op 14 december 1987, één week na de start van de eerste Intifada, een nieuwe organisatie, Hamas, waarvan de specifieke doelstelling was om te strijden tegen de Israëlische bezetting. Vandaar ook de naam Hamas, wat staat voor de afkorting van ‘harakat al-muqâwama al-'islâmiya’ of ‘Islamitische Weerstandsbeweging’.
Na de eerste Intifada moesten de vredesakkoorden van Oslo tussen Israël en de Palestijnen, binnen de nieuwe Pax Americana, een pacificatie van de regio forceren. Deze akkoorden, "Land voor vrede" genaamd, werden in Washington getekend op 13 september 1993. De akkoorden bevatten een politieke belofte : in ruil voor de erkenning van Israël en het afzien van de gewapende strijd, zou er vanaf 1994 een periode van vijf jaar ingaan waarin "de capaciteit van de Palestijnen om zichzelf te regeren zou gestest worden". Alle cruciale kwesties zoals het recht van de vluchtelingen op terugkeer, het statuut van Jerusalem, de controle van de grenzen, de onmanteling van de colonies… zouden maar geregeld worden na die vijf jaar. De akkoorden waren vooral economisch en securitair van aard : zo moesten ze de economische relaties tussen Israel en de Arabische landen normaliseren; zo werd er een Palestijnse Autoriteit gecreëerd die vanaf nu moest instaan voor het handhaven van de orde in het Palestijnse gebied (lees : ervoor zorgen dat het niet meer tot aanvallen kwam tegen Israël).
De resultaten van de verkiezingen voor het Palestijnse parlement in 1996 toonden hoe hoog de verwachtingen gespannen waren : Fatah behaalde de absolute meerderheid (50 verkozenen op een totaal van 88), en Yasser Arafat werd verkozen als president van de Palestijnse Autoriteit met 88,1% van de stemmen.
De hoop zou van korte duur zijn : deze opgelegde Pax Americana bleek voor de Palestijnen alleen maar de verderzetting en de legitimatie van 50 jaar onrecht.
Een maand na het afsluiten van de Osloakkoorden, in oktober 1993, werd een "Alliantie van Palestijnse krachten" gevormd door 10 Palestijnse partijen, die de akkoorden afwezen als een Palestijnse capitulatie en overgave. De belangrijkste krachten in de Alliantie waren Hamas en het FPLP (het (Marxistische) Volksfront voor de Bevrijding van Palestina). In 2000, na 6 jaar wachten op alleen maar meer onrecht, provocaties en nieuwe colonies veegde het Palestijnse volk met een nieuwe Intifada de Osloakkoorden van tafel.
De reactie van Israël en de VS op de afwijzing van de Osloakkoorden was tweeërlei : de opposanten van het Vredesproces werden op een terroristenlijst geplaatst en er moesten nieuwe Palestijnse verkiezingen komen die zouden moeten dienen om een legitimiteit te creëren voor een nieuw Palestijns leiderschap, dat tot meer toegevingen tegenover Israël en meer optreden tegen het radikale verzet bereid was dan met Arafat het geval was geweest.
In januari 1995 vaardigde President Clinton Executive Order 12947 uit ("Prohibiting Transactions with Terrorists Who Threaten to Disrupt the Middle East Peace Process"). Hierin werden Hamas en 11 andere organisaties als "Buitenlandse Terroristische organisaties" aangeduid en werd de inbeslagname van hun tegoeden in de VS mogelijk. Deze "Specially designated Terrorist List" (STD), was dus speciaal gericht op : "personen en organisaties die het vredesproces in het Midden-Oosten wilden belemmeren". Een zwart op wit politieke beslissing die moest komaf maken met het radikale Palestijnse verzet.
Die officiële VS lijst van 1995 bestond uit volgende organisaties :
"TERRORIST ORGANIZATIONS WHICH THREATEN TO DISRUPT THE MIDDLE EAST PEACE PROCESS
Abu Nidal Organization (ANO)
Democratic Front for the Liberation of Palestine (DFLP)
Hizballah
Islamic Gama'at (IG)
Islamic Resistance Movement (HAMAS)
Jihad
Kach
Kahane Chai
Palestinian Islamic Jihad-Shiqaqi faction (PIJ)
Palestine Liberation Front-Abu Abbas faction (PLF-Abu Abbas)
Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP)
Popular Front for the Liberation of Palestine-General Command
(PFLP-GC)"
Het moet opgemerkt dat Bin Laden en Al-Qaida pas in 1999, vier jaar na Hamas, op een Amerikaanse terroristenlijst verschijnen, nadat ze verantwoordelijk werden gesteld voor de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar Es Salaam in 1998.
De plaats van Hamas op de anti-terreurlijst heeft, zoals vaak gedacht wordt, dus niets vandoen met een organisatie als Al Qaida, noch met aanslagen op het WTC (2001), Madrid (2004) of London (2005). Hamas is immers geen organisatie voor de "global Jihad", maar een nationale, Palestijnse bevrijdingsorganisatie. Hamas heeft in heel zijn geschiedenis nooit één actie ondernomen buiten het bezet grondgebied van Palestina, en het heeft ook nooit een enkele Westerling, binnen of buiten Palestina, als doelwit genomen.
Onder Amerikaanse impuls nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in 1999 resolutie 1267 aan, met een lijst van terroristische organisaties en personen die verbonden waren met de Taliban en Al-Qaida. Deze resolutie was er vooral op gericht om de Afghaanse Taliban te dwingen Osama bin Laden uit te leveren, nadat Washington er hem van beschuldigde het brein te zijn achter de bomaanslagen tegen zijn ambassades in Afrika. De resolutie verplichtte de landen tot drie dingen : bevriezen van de financiële tegoeden van al de mensen op de lijst; aan de betrokkenen mogen geen wapens worden geleverd en ze mogen het grondgebied van het land niet betreden of verlaten. Het betrof 142 individuen die geassocieerd waren met de Taliban, 253 individuen geassocieerd met Al-Qaida, en 112 eenheden, groepen of ondernemingen die geassocieerd waren met Al-Qaida.
De VS en Israël oefenden druk uit op de Verenigde Naties om ook Hamas op die VN lijst van terroristische organisaties te krijgen en om te komen tot één enkele VN-lijst van terrroristische organisaties in de wereld. Maar de VN weigerden hierop in te gaan.
Europa zou die Amerikaanse en Israëlische weg wél volgen, ook al beschikte men over alle elementen om te weten dat Hamas niets te maken had met de aanslagen van Al Qaida. En wat de Taliban betreft, Europa wist perfect dat Hamas niet stond voor een regime van het Talibantype. Twee voorbeelden. Om te beginnen verklaarde Sheikh Yassin, de politieke en geestelijke leider van Hamas al in 1989 in een interview in de Libanese krant Al-Nahar : "Ik ben voor een democratische meerpartijenstaat, en ik wil dat de partij die de verkiezingen wint, welke die ook weze, ook de macht uitoefent." Al-Nahar : "Maar wat zou uw positie zijn als de communistische partij de verkiezingen zou winnen ? Sheikh Yassin : "Ik zou de wil van het Palestijnse volk respecteren, ook als de communistische partij zou winnen." Over het Hamas bewind na de verkiezingen schreef professor Henry Siegman, directeur van het US Middle East Project in New York, en voormalig nationaal directeur van het American Jewish Congress ondermeer : "Niet-praktiserende moslims, Christenen en andere minderheden onder de regering van Hamas hebben meer religieuze vrijheid dan bijvoorbeeld in SaoudieArabië, of onder vele andere Arabische regimes…" (London Review of Books, 29 January 2009).

2001 : het Islamitische Palestijnse verzet op de Europese terreurlijst.
De "Global War on Terror" (GWAT), die de Amerikaanse Bush administratie ontketende na 11 september 2001, bracht alles in een stroomversnelling. Met de GWAT werden in het Westen alle radikale weerstandsbewegingen onder één en dezelfde noemer gebracht : Bin Laden, Hamas, Hezbollah, Taliban, Islamic Jihad…, het was allemaal een en hetzelfde 11- september-terreur-netwerk. 11/9 opende de deur voor de criminalisering van het Palestijnse verzet door Europa. Onmiddellijk na 11/9 kwamen de Palestijnse organisaties die "Jihad" of "Islamitisch" in hun naam droegen op de lijst : de Palestijnse Islamitische Jihad en Hamas-Izz al-Din al-Qassem (de terroristische tak van Hams). Ook al hebben geschiedenis, doelstellingen en objectieven, strategie en tactiek van de enen niets te maken met die van de anderen, net zomin als bijvoorbeeld de Europese christen-democratie in dezelfde zak te stoppen zijn als de christenen van de Ku Klux Klan.
Drie maand na de 11 september aanslagen, op 27 december 2001, nam Europa in zijn ‘Gemeenschappelijk Standpunt van de Europese Raad met betrekking tot specifieke maatregelen inzake de strijd tegen het terrorisme’. Het ging om een intentieverklaring, maatregelen om de financiering van terroristische organisaties af te snijden en een eerste terreurlijst. De organisaties toen waren :
"1. Continuity Irish Republican Army (CIRA)
2. Euskadi Ta Askatasuna/Tierra Vasca y Libertad/Basque Fatherland and Liberty (E.T.A.)
(De volgende organisaties maken deel uit van de terroristische groep E.T.A.: K.a.s, Xaki; Ekin, Jarrai-Haika-Segi, Gestoras Pro-amnistía)
3. Grupos de Resistencia Antifascista Primero de Octubre/Antifascist Resistance Groups First of October (G.R.A.P.O)
4. Hamas-Izz al-Din al-Qassem (terroristische tak van de Hamas)
5. Loyalist Volunteer Force (LVF)
6. Orange Volunteers (OV)
7. Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ)
8. Real IRA
9. Red Hand Defenders (RHD)
10.Revolutionary Nuclei/Epanastatiki Pirines
11. Revolutionary Popular Struggle/Epanastatikos Laikos Agonas (ELA)
12. Revolutionary Organization 17 November/Dekati Evdomi Noemvri
13. Ulster Defence Association/Ulster Freedom Fighters (UDA/UFF)"
De druk om net als in de VS de gehele Hamas beweging op de terreurlijst te zetten nam van dan af gestaag toe. Tot in de helft van 2003 was er nog enige Europese weerstand. Zo zei de Nederlandse minister van buitenlandse zaken De Hoop Scheffer op 18 maart 2003 nog : "Voor wat betreft Hamas is er een onderscheid te maken tussen de politieke organisatie en de terroristische tak, Hamas-Izz al-Dinal-Qassem. De terroristische tak wordt verantwoordelijk gehouden voor een groot aantal aanslagen in Israël en in de Palestijnse gebieden en staat derhalve sinds 27 december 2001 op de EU-bevriezingslijst. Er zijn op dit moment geen bewijzen dat Hamas de al Qassambrigade financieel ondersteunt. De politieke organisatie speelt een humanitaire rol in de Palestijnse gebieden waar ze o.a. voorziet in de behoefte aan scholing en medische verzorging. Bovendien speelt Hamas de facto een politieke rol in onderhandelingen over een Palestijns staakt-het-vuren. Nederland is daarom tegen plaatsing van de politieke tak van Hamas op de EU-bevriezingslijst."

2003 : alle Palestijnse verzetsorganisaties op de Europese terreurlijst.
In 2003 startte de Amerikaanse oorlog tegen Irak en was de druk zo groot geworden dat alle sluizen voor de criminalisering werden opengezet. Dat het er niet langer om ging om ons via een antiterreurlijst te beschermen tegen nieuwe "Islamitische terreuraanslagen" à la 11/9, maar om een welgekomen gelegenheid om de weerstand van alle bevrijdingsorganisaties in de wereld uit te schakelen bleek ook uit hetvolgende : vanaf 2003 zullen alle Palestijnse bevrijdingsorganisaties en zal ook al het nog bestaande communistisch verzet in de wereld op de Europese terreurlijst verschijnen, van de Filipijnse KP over de Colombiaanse FARC tot de Turkse DHKP-C… Op 13 september 2003, gebeurde waar Israël en de VS al lang op aandrongen : zowel de militaire als de politieke beweging Hamas kwamen op de Europese lijst van terroristische organisaties onder de naam : "Hamas (met inbegrip van Hamas-Izz al-Din al-Qassem)". Daarnaast het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (FPLP), het Front voor de bevrijding van Palestina (FLP), het Volksfront voor de bevrijding van Palestina – algemeen commando (FPLP-Commandement général), de Brigade van de Al Aqsa Martelaren (afkomstig uit Fatah). Er verschenen voor het eerst ook humanitaire organisaties op de lijst : de Holy Land foundation, de "Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland)". Op 13 september 2003 bestond de Europese lijst uit onderstaande 34 organisaties.
"Lijst van organisaties op de Europese terreurlijst (13 september 2003)
De asterisk voor de naam betekent dat de organisatie slechts onder een deel van de voorziene sancties valt.
1. Organisation Abou Nidal (Conseil révolutionnaire du Fatah, Brigades révolutionnaires arabes, Septembre noir, et Organisation révolutionnaire des musulmans socialistes)
2. Brigade des martyrs Al-Aqsa
3. Al-Takfir et al-Hijra
4. Aum Shinrikyo (AUM, Aum Vérité suprême, Aleph)
5. Babbar Khalsa
6. * Continuity Irish Republican Army (CIRA)
7. * Euskadi Ta Askatasuna/Tierra Vasca y Libertad/Pays basque et liberté (ETA) [les organisations ci-après font partie du groupe terroriste ETA: K.a.s., Xaki, Ekin, Jarrai-Haika-Segi, Gestoras pro-amnistía, Askatasuna, Batasuna (alias Herri Batasuna, alias Euskal Herritarrok)]
8. Gama'a al-Islamiyya (Groupe islamique), (Al-Gama'a al-Islamiyya, IG)
9. * Grupos de Resistencia Antifascista Primero de Octubre/Groupes de résistance antifasciste du 1er octobre (GRAPO)
10. Hamas (y compris Hamas-Izz al-Din al-Qassem)
11. Holy Land Foundation for Relief and Development (Fondation de la Terre sainte pour le secours et le développement)
12. International Sikh Youth Federation (ISYF)
13. Kahane Chai (Kach)
14. Parti des travailleurs du Kurdistan (PKK)
15. Lashkar e Tayyaba (LET)/Pashan-e-Ahle Hadis
16. * Loyalist Volunteer Force (LVF)
17. Mujahedin-e Khalq Organisation (MEK ou MKO) [moins le «Conseil national de la Résistance d'Iran» (NCRI)], (Armée nationale de libération de l'Iran (la branche militante de la MEK), les Mujahidines du peuple d'Iran, la Société musulmane des étudiants iraniens)
18. New People's Army (NPA), Philippines, liée à Sison Jose Maria C. (alias Armando Liwanag, alias Joma, responsible de la NPA)
19. * Orange Volunteers (OV)
20. Front de libération de la Palestine (FLP)
21. Jihad islamique palestinienne
22. Front populaire de libération de la Palestine (FPLP)
23. Front populaire de libération de la Palestine — Commandement général (FPLP-Commandement général)
24. * Real IRA
25. * Red Hand Defenders (RHD)
26. Forces armées révolutionnaires de Colombie (FARC)
27. * Noyaux révolutionnaires/Epanastatiki Pirines
28. * Organisation révolutionnaire du 17 novembre/Dekati Evdomi Noemvri
29. Armée/Front/Parti révolutionnaire populaire de libération (DHKP/C), (Devrimci Sol (Gauche révolutionnaire), Dev Sol)
30. * Lutte populaire révolutionnaire/Epanastatikos Laikos Agonas (ELA)
31. Sentier lumineux (SL) (Sendero Luminoso)
32. Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland)
33. * Ulster Defence Association/Ulster Freedom Fighters (UDA/UFF)
34. Forces unies d'autodéfense de Colombie (Autodefensas Unidas de Colombia — AUC)"
Velen vragen zich af of er een specifieke Europese argumentatie was om de Palestijnse bewegingen op de lijst te plaatsen. Die was er niet.

De plaatsing op de terreurlijst en zijn gevolgen voor Palestina.
De buitenrechterlijke executies van kaderleden.
Door de plaatsing op een terroristenlijst werden de leiders van Hamas en andere radikale Palestijnse organisaties door het Westen vogelvrij verklaard. Dit was natuurlijk in de praktijk al zo vanwege Israël; het verschil was dat de terroristenlijsten nu voor een internationale officiële legitimiteit zorgden en dat men geen afwijzing meer hoefde te vrezen. Dit hield in dat Israël Hamaskaders ongestraft mocht ombrengen via "buitenrechterlijke executies", dit is : het ‘doelgericht vermoorden van mogelijke terroristen’ (‘targeted killing of suspected terrorists’, is een soort toepassing op individuen van het Amerikaanse principe van de "pre-emptive strike" tegen Irak. Het vermoorden van het doelwit gebeurt via doelgerichte raketten of bomaanslagen. Ook vergiftiging is hierbij een wapen : in 1997 mislukte een poging van Israël om Hamas leider Khaled Meshaal met een gifinjectie te liquideren, Israël werd toen gedwongen tegengif te leveren).
Volgens het PCHR, het Palestijnse Centrum voor de Mensenrechten, voerden Israëlisch leger en veiligheidsdiensten van september 2000 tot januari 2008 705 dergelijke executies uit. 478 onder de slachtoffers waren effectieve doelwitten (227 burgers en 68 kinderen waren ‘collateral dammage’). Onder de effectieve doelwitten en slachtoffers : Abu Ali Mustafa (1938 – 2001), plaatsvervanger van Georges Habash en algemeen secretaris van het FPLP; Salah Shehade, leider van de militaire vleugel van Hamas (1953- 2002); Ismail Abu Shanab (1950-2003), hoofdonderhandelaar voor Hamas voor een staakt het vuren met Israël; Sheikh Yassin, de geestelijke en politieke leider van Hamas (1936–2004), dokter Abdul-aziz al-Rantisi (1947-2004), de hoogste Hamasverantwoordelijke in Gaza. Toen Sheikh Ahmed Yassin werd vermoord op 22 maart 2004, waren er in de zes maand die zijn dood vooraf gingen reeds 20 kaders van Hamas op een gelijkaardige manier omgebracht. Nog geen maand na zijn dood, op 17 april 2004, werd zijn opvolger Rantissi door Israël vermoord.

De sabotage van de democratische verkiezingen.
In 1996 had Hamas nog verklaard dat het niet zou deelnemen aan verkiezingen, die het als een verderzetting beschouwde van de Osloakkoorden. Maar in 2005 had Hamas toch deelgenomen en al een eerste overwinning geboekt door twee derde van de stemmen te behalen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Ook bij de syndicale verkiezingen en bij verkiezingen voor studentenraden had Hamas het uitstekend gedaan. In 2006 besloot Hamas mee te doen aan de verkiezingen voor het Palestijnse parlement. Hamas plaatste zich hiermee feitelijk binnen het kader van de Osloakkoorden. Maar dit veranderde voor Israël en het Westen niets aan de zaak. Zij zouden er financieel en diplomatiek alles op zetten om in 2006 Fatah aan de overwinning te helpen en Hamas zoveel mogelijk te hinderen. In december 2005 bedreigde het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden er in een resolutie de Palestijnse Autoriteit mee dat de fondsen zouden verminderen als de ‘terroristische organisatie Hamas mocht deelnemen aan de verkiezingen’. Alle groepen die aan de verkiezingen wilden deelnemen moesten ‘ontwapend worden en Israël’s bestaansrecht erkennen’.
De Palestijnse Autoriteit wees die eis af.
De verkiezingsresultaten voor het Palestijns parlement op 25 januari 2006, met een opkomst van 75%, 10 jaar na de verkiezingsoverwinning van Fatah, sloegen in als een bom : Hamas (lijst Change and Reform) behaalde 74 zetels, Fatah - 43 zetels, FPLP - 3 zetels, Badil - 2 zetels, Onafhankelijk Palestina – 2 zetels, Derde Weg - 2 zetels, onafhankelijken/anderen – 4 zetels.
Hoe was dit verbluffend resultaat te verklaren ?
De verklaring is velerlei. Er was zeker een religieuze factor. Maar er waren vooral twee andere factoren. Enerzijds kwam Hamas naar voor als de verderzetting van de Palestijnse verzetsstrijd die in de jaren 60 was begonnen. Hamas was de partij die de Osloakkoorden verwierp, die niet corrupt was en die de bevolking bijstond met zijn sociaal netwerk van scholen, klinieken en financiële ondersteuning. Anderzijds stond Hamas tegenover een in grote mate gecompromiteerd links, dit, zowel door zijn buiging voor Israel als door interne corruptie.
In een interview op 19 februari 2006 zei de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish over het verkiezingsresultaat : " Indien er morgen vrije verkiezingen worden georganiseerd in de Arabische moslim wereld, dan zouden de islamisten overal de overwinning behalen, zo simpel is dat ! In die wereld leeft een fundamenteel gevoel van onrecht, waarvoor het Westen wordt verantwoordelijk gesteld.. Ik ben verbijsterd over de algemene onwetendheid in het Westen ten opzichte van de politieke Islam. Om een voorbeeld te nemen : salafisten en Hamas zijn zeer verschillend. Hamas is voor alles een nationalistische beweging, gebouwd op een religieuse visie. Maar het Westen verkiest de politieke islam als één blok te zien… De stemming voor Hamas was meer een protest dan wel een uitsluitend religieuze stem."
De Hamaslijst "Change and Reform" behaalde 74 van de 132 zetels. Onder zijn verkozenen waren er ondermeer 1 christen en 6 vrouwen. Van die verkozenen werden er meer dan 40 door Israel gekidnapped en zonder vorm van proces in Israëlische gevangenissen opgesloten.

De internationale boycot.
De aanwezigheid op de lijst van terroristische organisaties hield in (volgens artikel 3 van het Europees Gemeenschappelijk standpunt) dat de Europese gemeenschap verplicht was erover te waken "dat er geen fondsen …., direct of indirect, ter beschikking mochten komen" van een terroristische groep, in casu Hamas . Het was hierop dat Europa zich steunde om de hulp aan de nieuw verkozen Palestijnse regering op te zeggen en besloot deel te nemen aan een totale economische, financiële, politieke en diplomatieke internationale boycot vanwege de VS en Europa van de door Hamas geleide Palestijnse regering. Javier Solana verantwoordde deze beslissing door te stellen dat « onze wetten eisen dat wij ons ten allen prijze onthouden van de financiering van terroristische activiteiten" (in Al Hayat, 24 april 2006). Onze Belgische minister van ontwikkelingssamenwerking (!) Armand De Decker verantwoordde het in de Kamer als volgt : "De Europese Raad heeft de Palestijnen ook laten weten dat, als ze nog steun van de Europese Unie willen krijgen, de toekomstige regering de staat Israël moet erkennen, de gewapende strijd en het terrorisme moet afzweren en de akkoorden van Oslo en het stappenplan moet respecteren….. Iedereen kent het standpunt van de Belgische regering. Vooreerst zijn we allen medeverantwoordelijk voor de oprichting van de staat Israël in 1948. Het is daarom van fundamenteel belang dat we rekening houden met de beloften die we hebben onderschreven".(2 februari 2006). Volgens de Belgische minister van Buitenlandse Zaken kwam er op 10 april 2006, op Belgisch aandringen, een gemeenschappelijke Europese houding voor het contact met "de nieuwe Palestijnse instellingen" : "Politieke contacten met de Hamasregering worden uitgesloten…Functionele contacten met de Palestijnse Autoriteit op ambtelijk niveau zijn mogelijk als de contacten beperkt zijn tot het technische of administratieve niveau of noodzakelijk zijn in het kader van een EU-missie…."
Frankrijk, nadat het eerst de lof had gezwaaid naar "de democratische maturiteit van het Palestijnse volk tijdens kalme en goedverlopen verkiezingen" stelde over het verkiezingsresultaat : "Hamas blijft op de lijst van terroristische organisaties die is opgesteld door de Europese Unie. Frankrijk heeft zonder ophouden alle Palestijnse krachten opgeroepen om zich te integreren in het politieke spel, om op een expliciete en publieke manier af te zien van het gebruik van geweld en om het bestaan van de staat Israël te erkennen".
Het directe gevolg van de internationale boycot was : geen salarissen meer voor de meer dan 100.000 Palestijnse leraars, dokters, functionarissen, veiligheidstroepen… die allen samen zowat 1 miljoen mensen moesten in leven houden.
Op 21 mei 2008 schreef de voormalige Amerikaanse president Jimmy Carter hierover : "De verschrikkelijke behandeling van de Palestijnen door Israël, met steun van de Verenigde Staten, bereikte een hoogtepunt na de verkiezingsoverwinning van Hamas in het Palestijnse parlement in 2006. Alle internationale waarnemers beoordeelden deze verkiezingen als eerlijk en correct. Maar Israël en de VS weigerden de Palestijnen het recht om een eenheidsregering te vormen tussen Hamas en Fatah. Hierop brak een interne strijd los en Hamas controleerde vanaf dan alleen Gaza. 41 van de 43 verkozen Hamas kandidaten die in de Westbank leefden zitten vandaag in de Israëlische gevangenissen, met daarovenop 10 anderen die posities bekleedden in het korte durende coalitiecabinet… De wereld is vandaag (7 maand voor de aanval op Gaza !, LV) getuige van een verschrikkelijke misdaad tegen de menselijkheid tegen de bevolking van Gaza, waar 1,5 miljoen mensen gevangen zitten met geen uitweg via land, lucht of zee..."

De putsch.
Toen de boycot niet het verwachte effect had en een interne opstand tegen Hamas uitbleef, werd er overgeschakeld naar de organisatie van een militaire putsch. Ondermeer het Amerikaanse blad Vanity Fair (april 2008) bracht, met documenten in de hand, het bewijs van de poging tot putsch door de Palestijnse Fatah verantwoordelijke en veiligheidschef in Gaza Mohammad Dahlan. De putsch werd opgezet op aansturen van de Amerikanen, de Israelis en de fractie van de Palestijnse autoriteit die met hen collaboreerde. In juni 2007 greep Hamas in. Het verjoeg de putschisten en vestigde zijn alleenheerschappij in Gaza. Gaza was nu definitief afgesneden van de rest van de wereld.

‘Enemy entity’
Op 19 september 2007 riep het Israëlische cabinet Gaza uit tot "enemy entity". Gaza werd letterlijk een gevangenis waar 1,5 miljoen Palestijnen een collectieve straf uitzaten en waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Gevraagd om een commentaar hierop, zei Condoleza Rice : "Gaza is a hostile entity to us as well". Gaza werd een getto waarin honger, ondervoede kinderen, hospitalen zonder medicijnen stap voor stap hun intrede deden. In zijn rapport van november 2008 bracht het Internationale Comitee van het Rode Kruis volgend alarmerend rapport over de toestand in deze ‘enemy entity’ : « chronische ondervoeding onder 70% van de 1,5 miljoen mensen in de Gazastrip; 46% van de kinderen lijden aan bloedarmoede, omdat hun ouders niet in staat zijn hen voldoende te voeden; alarmerende toename van groeiachterstand en geestesstoornissen, wijdverspreide doofheid onder de kinderen tengevolge van sonic booms van het laag overvliegen van Gaza…. ». Humanitaire organisaties deden wat ze konden en trokken aan de alarmbel met persberichten, conferenties en videobeelden.
De wereld wist wat er zich in Gaza aan het afspelen was.

Groen licht voor de aanval op Gaza vanwege Europa en de NATO…
Het protest tegen de onmenselijkheid van de blokkade van Gaza veranderde niets aan de situatie in Gaza en het veranderde evenmin iets aan de gepreviligieerde vriendschap met Israël. Integendeel.
Aan de Europese top van Europese ministers van buitenlandse zaken op 2 en 3 december 2008 nam ook de Israëlische minister Tzipi Livni deel. De Europese Unie besloot er " de relaties met Israël op te waarderen ", tegen een negatieve stemming van het Europese parlement in. Europa was al de belangrijkste handelspartner van Israël (voor een handelswaarde van meer dan 20 miljard euro), met het besluit tot opwaardering zou werk gemaakt worden van versnelde onderhandelingen op drie gebieden : "verhoogde diplomatieke samenwerking, deelname van Israël aan Europese plannen en agentschappen en mogelijke Israëlische integratie in de Europese eenheidsmarkt".
Livni sloot in een ruk ook een nieuw akkoord af met de NATO op 2 december 2008.
Het loont de moeite even bij de militaire kwestie stil te staan : in het Westen is iedereen bekend met de "Hamas of Qassam raketten" waarmee Israël wordt geterroriseerd en die worden binnengesmokkeld via ondergrondse tunnels… Maar weinigen weten met welk soort wapentuig het Westen Israël tot de tanden heeft bewapend. De VS op de eerste plaats, maar ook de Europese Unie. Volgens het rapport van de EU over de licenties voor wapenexport gepubliceerd in december 2007 hebben 18 Europese lidstaten alleen al voor het jaar 2007 voor een totaal van 1018 licencies voor wapens voor Israël verstrekt voor een totaal bedrag van 199 409 348 euro.
De EUobserver bestudeerde dit EUrapport en maakte volgende analyse van de cijfers : "Frankrijk, Duitsland en Roemenië zijn de drie grootste wapenuitvoerders naar Israël. Frankrijk voor 126 miljoen euro, Duitsland voor 28 miljoen euro en Roemenië voor 17 miljoen. Bulgarije, Duitsland, Polen, Roemenië en Groot-Brittanië hebben in 2007 voor 12 miljoen euro aan kleine wapens en munitie geexporteerd naar Israël. Voor 23 miljoen euro aan "lichte wapens", dwz bommen, torpedos en explosieven werden door Tsjechië, Duitsland, Roemenië en Slovenië geleverd. België, Frankrijk en Roemenië leverden voor 18,5 miljoen euro aan militair materiaal bestemd voor de luchtmacht. Electronische uitrusting voor militair gebruik, een vierde en zeer brede categorie van wapens, voor een waarde van 94 miljoen euro werden geleverd door Frankrijk (89 miljoen euro) en Duitsland (5 miljoen euro). De rest van de 200 miljoen euro betreft wapens die niet onder voorgaande categorieën vallen…"
De vraag is wanneer deze Europese tunnel voor wapenleveringen, die helemaal niet ondergronds is, zal worden gesloten....
Maar op 2 december volgt er zoals gezegd een nieuw akkoord.
Het Observatoire de l’Otan meldt hierover : "Het voorkeurspartenariaat tussen Israël en de NATO heeft de Israëlische regering verzekerd van impuniteit. De Israëlische minister Tzipi Livni heeft begin december 2008 de verantwoordelijken van de Nato ontmoet en een akkoord afgesloten dat "de veiligheids en diplomatieke banden tussen Israël en de NATO versterkt en uitbreidt". Dergelijke akkoorden laten een nauwere samenwerking toe, meer bepaald op het gebied van "de strijd tegen het terrorisme, de uitwisseling van veiligheidsinformatie, het opvoeren van gemeenschappelijke militaire oefeningen en actie tegen de proliferatie van atoomwapens." Livni zei over dit decemberakkoord : « Dit akkoord is de praktische uitdrukking van de gemeenschappelijke waarden en verantwoordelijkheden die de vrije naties delen om de veiligheid in de wereld te beschermen. Het gaat om een authentieke erkenning van de speciale bijdrage die Israël levert in de internationale strijd tegen het extremisme." Enkele dagen na haar Europees bezoek verduidelijkte Livni ongewild wat ze verstond onder "gemeenschappelijke waarden, vrije naties" en ander mooie begrippen toen ze op een persconferentie in Israël op 11 december 2008 een onverkapte oproep tot ethnische zuivering lanceerde : "de nationale verzuchtingen van de Palestijnse inwoners van Israël , zij, die wij Arabische Israëliërs noemen, liggen elders, namelijk in een Palestijnse staat… Op die manier zal het Joodse en democratische karakter van de staat Israël veilig gesteld worden" !
"De opwaardering van de relaties met Israël" zowel op economisch als militair vlak in december 2008, op een ogenblik dat Gaza zo goed als stierf voor de ogen van de wereld en drie weken voor het Israëlisch offensief tegen Gaza begon, kan niet anders dan geïnterpreteerd worden als een groen licht vanwege de EU en de NATO, om niet te zeggen als een aanzetten tot of het aanmoedigen van Israël, voor zijn aanval op Gaza.

Totale oorlog.
Op 19 juni 2008 was het tot een staakt het vuren gekomen tussen de Palestijnen en Israel om de blokkade van Gaza te verlichten. Dit bestand, dat door Hamas scrupuleus werd nageleefd (niet één Israëli kwam om tijdens het bestand), veranderde opnieuw niets aan de zaak : de wurging van Gaza ging onverminderd door. De levensomstandigheden van de bevolking waren er in de zes maand van het bestand alleen maar op achteruit gegaan, en een politieke oplossing leek verder af dan ooit. Het bestand was geen stap naar serieuze politieke onderhandelingen; het objectief bleef dat de bevolking van Gaza zich tegen zijn leiders zou keren. Het is het Israelisch leger dat met een moorddadige raid in Gaza op 4/5 november 2008 zes Hamas leden ombracht en zo een einde maakte aan het bestand. Hamas had nu de keuze : het proces van de zachte, maar zekere dood van Gaza ondergaan of een nieuw bestand weigeren en weten dat een militaire confrontatie zou volgen. Hamas koos voor het laatste. Eind december 2008 volgde de totale oorlog om te realiseren waar het allemaal om begonnen was en waarin men maar niet lukte : de uitschakeling van Hamas.
Met Amerikaanse F-16 oorlogsvliegtuigen, Apache helicopters, witte fosforbommen, DIME bommen, oorlogsschepen en militaire uitrusting gemaakt in Europa vernietigde het Israëlische leger de huizen, de universiteit, scholen, ziekenhuizen, VN gebouwen, politiebureaus, landbouwgebied, bruggen en tunnels nodig om aan voedsel te geraken uit Egypte. Het medische blad The Lancet (2 februari 2009) schrijft : "Tijdens de periode van 27 december 2008 tot het staakt het vuren op 18 januari 2009, zijn naar schatting anderhalf miljoen ton bommen en explosieven gegooid op de Gaza strip". Dat wil zeggen voor een gebied van 360 km² groot, ongeveer 5 kg per m². De voorlopige balans aan Palestijnse kant luidt : meer dan 1300 doden, waaronder 410 kinderen; meer dan 6000 gewonden, 840000 kinderen in "extreme stress", 100000 inwoners van Gaza dakloos. Het Palestijnse Centrum voor mensenrechten (PCHR) meldt voor dezelfde periode : "De Israëlische bezettingsmacht heeft ambulances, voertuigen van de civiele bescherming en hulpdiensten als doelwit genomen, ze hebben 2400 huizen met de grond gelijk gemaakt; 28 publieke instellingen, waaronder gebouwen van ministeries, gemeentehuizen, regionale raden, de wetgevende raad en vissershavens volkomen vernietigd; daarnaast : 21 trouwzalen, hotels en toeristische voorzieningen, 30 moskees volledig en 15 andere gedeeltelijk, 10 kantoren van caritatieve organiaties, 121 industriële en handels zaken volkomen en 200 gedeeltelijk, 5 fabrieken voor het maken van beton en een fabriek voor het maken van fruitsap, 5 medische centra en 2 medische voorzieningen, 29 scholen geheel of gedeeltelijk, 60 politieposten en commissariaten.." Het Palestijnse ministerie van landbouw meldde dat de Israëlische bezettingstroepen " 60% van de landbouwgrond hebben vernietigd". De Uno liet weten dat diezelfde troepen "600.000 ton puin achterlieten".
Honderden Palestijnen die verdacht werden van Hamas lidmaatschap zijn tijdens de Gaza oorlog door het Israëlische leger meegevoerd als "illegal combattants", de Guantanamo benaming voor terrorisme verdachten : zonder recht op inbeschuldigingstelling of proces, zonder recht op het statuut van krijgsgevangene. De nieuwe groep gevangenen voegt zich bij de reeds 10.000 Palestijnse gevangenen in Israël.

De anti-terreurwetgeving en het afsnijden van de humanitaire hulp vanuit het Westen.
In solidariteitsmiddens voor de Palestijnse zaak wordt soms gehoord dat men zich niet politiek wil uitspreken over Hamas, maar dat men alleen humanitair wil tussenkomen en de nood van de burgerbevolking in Gaza wil verlichten. Dit is verdedigbaar vanuit humanitair standpunt, alleen moet men zich realiseren dat de Westerse anti-terrorismepolitiek tegen Hamas ook het humanitair werk voor Palestina in onze landen als een criminele activiteit ging vervolgen.
De plaats van Hamas op de lijst van terroristische organisaties betekende dat het sinds 1995 in Amerika illegaal werd om nog enige vorm van steun te geven aan welk Palestijns humanitair project of organisatie dan ook, van zodra die een band hadden met Hamas. Ook al hielden die Palestijnse projecten of humanitaire organisaties zich uitsluitend bezig met de opvang van weeskinderen en stonden ze zelf niet op de terroristische lijst. Er kwam dus niet alleen een internationale blokkering van alle rechtstreekse financiële hulp aan Hamas, ook Westerse Islamitische humanitaire organisaties die Hamas zouden steunen via zijn humanitaire werk werden buiten de wet gesteld wegens "hulp aan een terroristische organisatie".

De Holy Land Foundation.
De aanval op de humanitaire hulp werd ingezet in de VS. In december 2001 werden de bureaus van Amerika’s grootste Islamitische humanitaire ONG, de "Holy Land Foundation for Relief and Development" (HLF), opgericht in 1987, gesloten en al hun fondsen bevroren. Dit gebeurde zonder proces en zonder opgave van reden. De organisatie hield zich bezig met het zorgen voor voedsel, medische hulp, onderdak voor kinderen en families, ondermeer in het Midden- Oosten. Het volstond dat Bush op een persconferentie de organisatie ervan beticht had ‘een frontorganisatie van Hamas’ te zijn om de activiteit van de organisatie te doen stopzetten. Drie jaar later, in 2004, werd de beschuldiging geformuleerd. De verantwooordelijken van de HLF werden ervan beticht dat ze "Hamas financieel hadden gesteund nadat de VS Hamas had aangeduid als een terroristische organisatie". Opnieuw drie jaar later, in 2007, ging het proces tegen HLF van start, het grootste proces inzake ‘financiering van het terrorisme’ dat de VS ooit gekend had. Op het proces stelden de aanklagers niét dat de NGO of een van zijn verantwoordelijken schuldig zouden zijn aan gewelddaden, noch door deelname, noch door financiering. Ze stelden tegenover de jury alleen dat "de humanitaire organisatie geld stuurde naar scholen, hosptitalen en programmas voor sociale bijstand die gecontroleerd werden door Hamas, een groep die op de lijst stond van de terroristische organisaties sinds 1995". Eind november 2008 (een maand voor de inval in Gaza) werd de ONG schuldig bevonden aan het financieren van het "islamitisch terrorisme" door het overmaken van miljoenen dollars aan een "organisatie die in de VS aangeduid werd als een terroristische organisatie". De vijf verantwoordelijken Ghassan Elashi, Shukri Abu-Baker, Mufid Abdulqader, Abdulrahman Odeh, Mohammed El-Mezain werden schuldig bevonden. Ze werden respectievelijk veroordeeld tot levenslang, levenslang, 55 jaar, 55 jaar, en 15 jaar gevangenisstraf. In een reactie zei Ashcroft "Today, terrorists have lost yet another source of financing and support for their bombs and bloodshed".
De zaak is nu in beroep.
De hallucinante voorbeelden in de VS zijn legio. Zo werd professor Abdelhaleem Ashqar, 48 jaar, van de Howard University, in 2004 samen met twee anderen beticht van "financiering van Hamas". In afwachting van zijn proces werd hij onderworpen aan 2 jaar huisarrest met een electronische enkelband. Uiteindelijk werd hij vrijgesproken van de aanklacht. Maar wegens zijn weigering om te getuigen voor een grand jury over de activiteiten van Hamas, werd hij in 2007 uiteindelijk veroordeeld tot 11 jaar gevangenisstraf! Ashqar had voor de rechtbank verklaard dat "er van hem niet kon verwacht worden om Israël te helpen in zijn strijd tegen zijn Palestijnse broeders", en dat hij "weigerde te leven als een verrader of een collaborateur".

al Aqsa Stichting Nederland.
De beslissing om al-Aqsa Nederland op de Europese terreurlijst te zetten dateert van juni 2003. De in Heerlen gevestigde Stichting Al-Aqsa is een islamitische hulporganisatie met een humanitaire missie, opgericht in 1993. Ze legt zich toe op "het verstrekken van hulp en het verbeteren van de levensomstandigheden van de Palestijnsen die in Nederland leven en ook het verlenen van hulp aan de Palestijnen in de door Israël bezette gebieden. Het werkt daarvoor samen met verschillende organisaties in Israël en in de bezette gebieden aan wie het financiële steun geeft voor humanitaire projecten. Zijn grootste projecten situeren zich op het terrein van de weeskinderen. Al-Aqsa verklaart zichzelf politiek onafhankelijk en verklaarde in het jaar 2001-2002 ongeveer 1 miljoen euro aan giften te hebben ontvangen.
Na hun plaatsing op de terroristenlijst werden alle tegoeden van de vereniging bevroren. Dat gebeurde door de minister van buitenlandse zaken op basis van een rapport van de Nederlandse Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD). Nederland bevroor de tegoeden (267.490,22 euro) van de stichting, omdat de AIVD aanwijzingen zou hebben dat de door Al-Aqsa ingezamelde gelden werden overgemaakt aan organisaties "die het terrorisme in het Midden-Oosten ondersteunen, met name de radicaal-islamitische organisatie Hamas in de Palestijnse Gebieden".
Al-Aqsa Nederland, net als de Filipijn José Maria Sison, trokken naar de rechtbank. Op 11 juli 2007 oordeelde het Gerecht van Eerste Aanleg, een onderdeel van het Europese Hof van Justitie, dat "bij de beslissingen om Sison en Al-Aqsa op de EU-terreurlijst te zetten fundamentele rechten werden geschonden. Zo is er geen hoor en wederhoor toegepast. Ook hebben zij geen specifieke en concrete motivering gekregen over de reden van hun plaatsingen op de EU-terreurlijst. Het Gerecht verklaarde beide plaatsingsbesluiten nietig verklaard".
De Europese Unie weigerde hierop in te gaan omdat beide procedurefouten (geen hoor en wederhoor en geen motivering) inmiddels zouden zijn gerepareerd.
Al-Aqsa kreeg ook een proces in Denemarken, waar het werd vrijgesproken. Een proces loopt in Zweden. In Duitsland werd de in Aachen gevestigde al-Aqsa verboden door de minister van binnenlandse zaken Otto Schily, wegens, citaat :" steun aan het geweld en de terreur in het Midden-Oosten en aan de Palestijnse Hamas-terroristen." Het weze hierbij opgemerkt dat Schily een socialistische minster is, ooit de advokaat van de Baader-Meinhof groep. Over het terrorisme zei hij in 1977 : "de beschuldiging van terrorisme is propaganda en niets anders….De Russische partisanen en het Franse verzet werd door Goebbels terroristen genoemd.. . . . 'Terroristen' zijn vandaag ..de Vietnamezen die tegen de Fransen vechten en later tegen de Amerikaanse overheersing.." Een proces in beroep bekrachtigde de plaatsing van al-Aqsa Duitsland op de lijst. De rechter in Leipzig stelde ,citaat, : "al-Aqsa is een organisatie die de gedachte van de verstandhouding onder de volkeren verstoort". " (Der Spiegel 3 december 2004).

al-Aqsa Verviers.
Op dinsdag 29 april 2008 was het de beurt aan België. Het eerste punt in het journaal van de zender RTL bracht volgend sensationeel nieuws : "De moskee van Verviers zou de basis en de draaischijf zijn voor steun aan het terrorisme van Hamas". Het journaal toonde beelden van de moskee, die een van de grootste is van België en de zender interviewde twee verantwoordelijken die zich moesten verantwoorden over "hun steun aan Hamas". Deze informatie, zo zei RTL, is gebaseerd op een Amerikaans onderzoek.
Dit zogeheten Amerikaans onderzoek kwam van "The Nefa Foundation" (wat staat voor Nine Eleven Finding Answers,
www.nefafoundation.org ), een organisatie samengesteld uit antiterreurspecialisten, die "advies verstrekt inzake terrorismebestrijding" aan de overheid, met andere woorden in het aanwijzen van potentiele terroristen na 11 september 2001. De Nefa Foundation had in december 2007 al een rapport uitgebracht over "The influence of the Muslim Brotherhood in the Netherlands". Op 14 april 2008 bracht Nefa een 24 bladzijden tellend rapport met foto’s van de gebouwen van Islamic Relief en al-Aqsa Verviers, met namen, beroepen en foto’s van de bestuurders van de moskee in Verviers, organogrammen… onder de titel : "The Muslim Brotherhood in Belgium". Het belangrijkste element in het rapport is de politieke druk. Zo wordt de Belgische regering bekritiseerd omdat zij "de enige Europese regering is die nog niet is opgetreden tegen de lokale afdeling van de organisatie die voor Hamas steun ophaalt." (pag 2). "Het is niet duidelijk waarom de Belgische regering nooit de sluiting van al-Aqsa België beval, hetgeen wel gebeurde in Duitsland als Nederland. Bronnen binnen de Belgische veiligheidsdiensten zeggen dat het komt omwille van tekorten in de Belgische antiterreurwet, maar er moet ook worden opgemerkt dat het België was, dat samen met Frankrijk en Ierland heeft geargumenteerd tegen het aanduiden van de politieke vleugel van Hamas als een terroristische organisatie. Deze positie zou een licht kunnen werpen op de redenering die achter de Belgische beslissing zit. Zoals dit rapport aantoont is het dankzij al-Aqsa België dat de activiteiten van de al-Aqsa foundation zijn kunnen doorgaan in Europa, na zijn sluiting in Duitsland en Nederland" (pag 21). De NEFA foundation weet in elk geval meer over de posities van de individuele Europese landen dan het parlement of de publieke opinie. De politieke demagogische aantijging is ook duidelijk : België is te verzoeningsgezind in de strijd tegen het terrorisme.
Men zou kunnen stellen dat het maar gaat om een rapport dat niet uitgaat van een officiële instelling. Maar de kritiek op de laksheid of verzoeningsgezindheid van Europa is een kritiek die systematisch in elk officieel jaarrapport van het US department of State terugkomt. Dit jaarrapport evalueert elk jaar op 30 april de terrorismebestrijding in de landen buiten de VS.
Een voorbeeld. In zijn inleiding op het jaarrapport van 2007 ("Country Reports on Terrorism 2007: Europe and Eurasia Overview") schrijft het Amerikaanse ministerie van binnenlandse zaken : "In Europa bleef de terroristische activiteit en de aanwezigheid van netwerken die de terroristen ondersteunen zorgwekkend….De Europese Unie in zijn geheel bleef terughoudend om stappen te ondernemen om de tegoeden te blokkeren van de humanitaire organisaties die verbonden zijn met Hamas of Hezbollah."

Op de terreurlijst omwille van "niet-erkenning van Israël" en "de aanslagen op burgers" ?
Het Charter van Hamas en het Charter van Likoud.
Het Charter van Hamas waarin het de vernietiging van Israël vooropstelt is een van de obstakels voor de solidariteit met Hamas en hét argument om hen op de lijst te zetten van terreurorganisaties.
Ten eerste kan men stellen dat de weg van erkenning van Israël reeds uitgeprobeerd is, en de Palestijnen niets heeft opgeleverd.
Ten tweede is het niet aan het Westen om te bepalen wat het programma van een bevrijdingsorganisatie moet zijn : kon men aan het ANC vragen dat het de apartheidsstaat van Zuid-Afrika erkende en genoegen moest nemen met Bantoestans, de zogenaamde thuislanden voor de zwarten ? In de apartheidsstaat Zuid-Afrika bestonden er toen tien van deze thuislanden, waavan er vier, Bophuthatswana, Ciskei, Transkei en Venda, "onafhankelijk" werden verklaard. De zes andere, Gazankulu, Kangwane, Kwandebele, Kwazoeloe, Lebowa en Qwaqwa, kregen "zelfbestuur". Volgens de Zuid-Afrikaanse autoriteiten waren de thuislanden bedoeld "om de zwarte bevolking een grote mate van zelfbeschikking te geven en er ook voor te zorgen dat hun cultuur bewaard bleef". Geen enkel land ter wereld erkende toen deze bantoestans.
Het Platform van Likoud, of moeten we zeggen het "Charter" van Likoud, maakte zeer recent, in 1999, in zijn hoofdstuk "Vrede en Veiligheid" duidelijk dat het voor de Palestijnen niet meer wil dan een Bantoestan. Over de Joodse kolonies verklaart Likoud : « De Joodse gemeenschappen in Judea, Samaria en Gaza zijn de realisaties van de zionistische waarden. De kolonisatie van het land is de klare uitdrukking van het onbetwistbaar recht van het Joodse volk op het Land van Israël en vormt een belangrijke troef in de verdediging van de vitale belangen van de staat Israël. Likoud zal doorgaan met het versterken en ontwikkelen van die gemeenschappen en zal hun ontworteling beletten.» Over zijn afwijzing van een Palestijnse staat zegt Likoud in hetzelfde hoofdstuk hetvolgende : « De Israëlische regering verwerpt categoriek de oprichting van een Palestijnse Arabische staat ten westen van de Jordaan. De Palestijnen kunnen vrij hun leven leiden in het kader van een autonomie, maar niet als onafhankelijke en souvereine staat. Zo moet bijvoorbeeld hun activiteit op het vlak van buitenlandse zaken, veiligheid, immigratie en ecologie beperkt zijn, en ondergeschikt aan het bestaan, de veiligheid en de nationale noden van Israël.»
Waarom staat Likoud al niet sinds 1999 op de Europese terreurlijst, wegens het niet erkennen van de Palestijnse staat ? Waarom werden de resultaten van de voorbije Israëlische verkiezingen erkend ? Waarom is Israël niet onderworpen aan een internationale boycot wegens het niet erkennen van de Palestijnse staat ??

Over de aanslagen van Hamas.
Europees commisaris van ontwikkeling, de Belg Louis Michel, verklaarde bij zijn bezoek aan Gaza op 26 januari 2009 aan de pers dat elke dialoog tussen de Europese Unie en Hamas uitgesloten is omdat Hamas een « terroristische beweging is » die « onschuldige burgers doodt." « Men kan niet discuteren met een terroristische beweging die het terrorisme als middel gebruikt. Wij mogen niet accepteren dat de manier waarop Hamas zich gedraagt verward zou worden met verzet. Wanneer men onschuldige burgers doodt, is dat geen verzet, maar terrorisme. ».
Laten we het hier niet hebben over het cynisme van deze Europese verklaring na de Israëlische slachting, afgelegd tussen de Palestijnse doden en het puin van Gaza.
Over ‘het terrorisme van Hamas’ alleen dit.
Na Irak en Afghanistan zijn we in het Westen bijzonder slecht geplaatst om lessen te geven over moraal inzake oorlogsvoering. Het geweld en de methodes van de onderdrukten zijn vaak niet meer dan de spiegel en de graadmeter van de onderdrukking waarvan ze het slachtoffer zijn; de uitdrukking van de vaak absolute uitzichtloosheid en het gebrek aan middelen in hun kamp.
We zijn in het Westen ook slecht geplaatst omdat we de afgelopen 60 jaar zijn vergeten wat bezetting, onderdrukking, honger, wanhoop… betekent, iets wat voor de Palestijnen evenzovele jaren nooit heeft opgehouden. In die situatie zoekt het verzet al naargelang de situatie en al naargelang de povere middelen die hen resten om te strijden : van stenen gooien tot vliegtuigkapingen, van primitieve granaatlanceerders tot het inzetten van kamikazes, zonder daarom van een van die strijdmiddelen een principe te maken.
Abou Ghorbyieh, 95 jaar oud, die nog deelnam aan de Al Qassamrevolte in 1936 en die een van de Palestijnse verzetseenheden leidde in Jeruzalem in 1947-48, wordt beschouwd als de patriarch van het Palestijns verzet. In een interview op al Jazeera over zijn steun aan het verzet in Gaza stelde hij : "Men moet alle vormen van verzet open laten. Men moet aan de strijders de keuze laten volgens de mogelijkheden die voorhanden zijn. Het allerbelangrijkste is de verderzetting van het verzet want het is de enige manier om de vijand te verzwakken. En belangrijker dan het maken van slachtoffers is het aantasten van het moreel van de vijand."
Misschien kunnen in Europa alleen diegenen die niets meer te verliezen hebben en die er vandaag door media en politiek beticht worden aan "terroristische chantage" en "sociaal terrorisme" te doen, begrijpen waarom het Palestijnse verzet naar extreme middelen grijpt. Zoals de afgedankte arbeiders van Moulinex van de site Cormelles-le-Royal in Frankrijk die in november 2001 een deel van hun fabriek in brand staken, de brandweer beletten te blussen en dreigden de rest van de fabriek op te blazen als ze geen degelijk sociaal plan kregen. Of de arbeiders van Cellatex die in de zomer van 2000 de toegang tot hun bedrijf blokkeerden, gasflessen opstapelden aan de ingang, de vertegenwoordigers van de staat gijzelden en hun dreiging om zwavelzuur in de Maas te laten lopen gedeeltelijk ten uitvoer brachten door 5000 liter in een zijrivier te laten lopen. Of de arbeiders van brouwerij Adelshoffen, dicht bij Straatsburg, die ermee dreigden twee citernes op te blazen, of die van de staalindustrie van Forgeval, in Valenciennes, die dreigden hun bedrijf in brand te steken….
Nu de economische crisis om zich heen slaat bestaat de vrees dat er ook een politieke crisis zal volgen en dat de methodes van de Franse arbeiders Europese navolging zullen krijgen. Na weken van woedende demonstraties was Geir Haarde, de eerste miniser van Ijsland, de eerste Europese leider die tot ontslag gedwongen werd omwille van de economische crisis. Op de jongerenrevolte in Griekenland van eind december 2008 volgden anti-regeringsrevoltes in Bulgarije, Letland en Litauen. In die mate dat het hoofd van het Internationaal Monetair Fonds, Dominique Strauss-Kahn, de vrees uitte dat sociale revoltes ten gevolge van de sociale crisis kunnen uitbreken in vele landen, met inbegrip van "de landen met ontwikkelde economieën".
Waartoe de anti-terreurwetgeving dient zal pas dan tenvolle duidelijk worden : de criminalisering van personen en organisaties in Europa via de plaatsing op anti-terreurlijsten zal er in de komende periode alleen maar groter op worden. Het is ook in ons eigen belang dat we er vandaag alles aan moeten doen om het Palestijnse verzet, dat al op de terreurlijst staat, van onze solidariteit te voorzien.

Annex.
Het "Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2002/475/JBZ)"
Artikel 1
Terroristische misdrijven en rechten en fundamentele beginselen
1. Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de onder a) tot en met i) bedoelde opzettelijke gedragingen, die door hun aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kunnen schaden en die overeenkomstig het nationale recht als strafbare feiten zijn gekwalificeerd, worden aangemerkt als terroristische misdrijven, indien de dader deze feiten pleegt met het oogmerk om:
- een bevolking ernstig vrees aan te jagen, of
- de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, dan wel
- de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen:
a) aanslag op het leven van een persoon, die de dood ten gevolge kan hebben;
b) ernstige schending van de lichamelijke integriteit van een persoon;
c) ontvoering of gijzeling;
d) het veroorzaken van grootschalige vernieling van staats- of regeringsvoorzieningen, vervoersystemen of infrastructurele voorzieningen, met inbegrip van informaticasystemen, een vast platform op het continentale plat, openbare plaatsen of niet voor het publiek toegankelijke terreinen, waardoor mensenlevens in gevaar kunnen worden gebracht of grote economische schade kan worden aangericht;
e) het kapen van een luchtvaartuig, vaartuig of ander transportmiddel voor het vervoer van groepen van personen of goederen;
f) het vervaardigen, bezit, verwerven, vervoer, leveren of het gebruik van vuurwapens, springstoffen, kernwapens, biologische en chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek en het ontwikkelen van biologische en chemische wapens;
g) het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen of het veroorzaken van brand, overstroming of ontploffing, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;
h) het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of een andere essentiële natuurlijke hulpbron, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;
i) het bedreigen met een van de onder a) tot en met h) bedoelde gedragingen.
2. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en van de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.
Artikel 2
Strafbare feiten met betrekking tot een terroristische groep
1. Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt onder terroristische groep verstaan een sinds enige tijd bestaande, gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die in overleg optreden om terroristische misdrijven te plegen. Met "gestructureerde vereniging" wordt gedoeld op een vereniging die niet toevallig tot stand is gekomen met het oog op een onverwijld te plegen strafbaar feit en waarbij niet noodzakelijkerwijs sprake is van formeel afgebakende taken van de leden, noch van continuïteit in de samenstelling of een ontwikkelde structuur.
2. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om de hierna volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen:
a) het leiden van een terroristische groep;
b) het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep, waaronder het verstrekken van gegevens of middelen aan de groep of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten van de groep, wetende dat deze deelneming bijdraagt aan de criminele activiteiten van de groep.
Artikel 3
Strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten
Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende gedragingen als strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten aan te merken:
a) gekwalificeerde diefstal gepleegd met het oogmerk om een van de in artikel 1, lid 1, genoemde gedragingen te verwezenlijken;
b) afpersing met het oogmerk om een van de in artikel 1, lid 1, genoemde gedragingen te verwezenlijken;
c) het valselijk opmaken van administratieve documenten met het oogmerk om een van de in artikel 1, lid 1, onder a) tot en met h), of een van de in artikel 2, lid 2, onder b), genoemde gedragingen te verwezenlijken.
Artikel 4
Uitlokking, medeplichtigheid, poging
1. Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat uitlokking van of medeplichtigheid aan een van de in artikel 1, lid 1, en in artikel 2 of 3 bedoelde strafbare feiten strafbaar wordt gesteld.
2. Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat poging tot het plegen van een van de in artikel 1, lid 1, en artikel 3 genoemde strafbare feiten, met uitzondering van poging tot het plegen van het in artikel 1, lid 1, onder f), bedoelde bezit en het in artikel 1, lid 1, onder i), bedoelde strafbare feit, strafbaar wordt gesteld.
Artikel 5
Sancties
1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om op de in de artikelen 1 tot en met 4 bedoelde strafbare feiten doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende straffen te stellen, die kunnen leiden tot uitlevering.
2. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om op de in artikel 1, lid 1, bedoelde terroristische misdrijven en op de in artikel 4 bedoelde strafbare feiten voorzover deze in verband staan met terroristische misdrijven, vrijheidsstraffen te stellen die hoger zijn dan de straffen die het nationale recht kent voor dergelijke feiten indien deze zonder het in artikel 1, lid 1, bedoelde oogmerk zijn gepleegd, tenzij de beoogde straffen krachtens het nationale recht reeds de hoogst mogelijke straffen zijn.
3. Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om op de in artikel 2 genoemde strafbare feiten vrijheidsstraffen te stellen, waarbij het strafmaximum ten aanzien van het in artikel 2, lid 2, onder a), genoemde strafbare feit niet lager mag zijn dan 15 jaar, en het strafmaximum ten aanzien van het in artikel 2, lid 2, onder b), genoemde strafbare feit niet lager dan acht jaar. Voorzover het in artikel 2, lid 2, onder a), genoemde strafbare feit uitsluitend betrekking heeft op de in artikel 1, lid 1, onder i), genoemde gedraging, mag het strafmaximum niet lager zijn dan acht jaar.
Artikel 6
Bijzondere omstandigheden
Iedere lidstaat kan de nodige maatregelen nemen om de straffen als bedoeld in artikel 5 te kunnen verminderen indien de dader
a) afstand doet van zijn terroristische activiteiten, en
b) de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die zij niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen, en hen helpt om:
i) de gevolgen van het strafbare feit te voorkomen of te verminderen;
ii) de andere daders te identificeren of hen voor het gerecht te brengen;
iii) bewijs te vergaren of
iv) te voorkomen dat nieuwe strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 4 worden gepleegd.
Artikel 7
Aansprakelijkheid van rechtspersonen
1. Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een van de in de artikelen 1 tot en met 4 bedoelde strafbare feiten, wanneer deze feiten te hunnen voordele zijn gepleegd door personen die hetzij individueel, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon optreden en die in de rechtspersoon een leidende functie bekleden op grond van:
a) de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
b) de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen;
c) de bevoegdheid om binnen het kader van de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.
2. Afgezien van de in lid 1 genoemde gevallen, neemt iedere lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer ten gevolge van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 bedoelde persoon, strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 4 konden worden begaan ten voordele van die rechtspersoon door een onder diens gezag staande persoon.
3. De aansprakelijkheid van rechtspersonen krachtens de leden 1 en 2 sluit strafvervolging van natuurlijke personen die een in de artikelen 1 tot en met 4 bedoeld strafbaar feit plegen, ertoe aanzetten of eraan medeplichtig zijn, niet uit.
Artikel 8
Sancties ten aanzien van rechtspersonen
Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om iedere rechtspersoon die uit hoofde van artikel 7 aansprakelijk is gesteld, sancties te kunnen opleggen die doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn, waaronder strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes en eventueel andere sancties, zoals:
a) maatregelen ter uitsluiting van aanspraak op uitkeringen of steun van de overheid;
b) maatregelen ter tijdelijke of blijvende uitsluiting van commerciële activiteiten;
c) plaatsing onder gerechtelijk toezicht;
d) gerechtelijke maatregel tot ontbinding;
e) tijdelijke of blijvende sluiting van vestigingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit.
Artikel 9
Rechtsmacht en vervolging
1. Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om in de onderstaande gevallen zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 1 tot en met 4 bedoelde strafbare feiten:
a) het strafbare feit is geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van die lidstaat gepleegd; iedere lidstaat kan rechtsmacht vestigen wanneer het strafbare feit op het grondgebied van een lidstaat is gepleegd;
b) het strafbare feit is gepleegd aan boord van een vaartuig dat onder de vlag vaart van die lidstaat of aan boord van een luchtvaartuig dat geregistreerd is in die lidstaat;
c) de pleger van het strafbare feit is onderdaan of ingezetene van die lidstaat;
d) het strafbare feit is gepleegd ten voordele van een op het grondgebied van die lidstaat gevestigde rechtspersoon;
e) het stafbare feit is gepleegd tegen de instellingen of bevolking van die lidstaat, of tegen een instelling van de Europese Unie of orgaan dat is opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese Unie, in die lidstaat is gevestigd.
2. Indien meer dan één lidstaat rechtsmacht heeft met betrekking tot een strafbaar feit en elk van hen ten aanzien van dezelfde feiten een vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg wie van hen de daders zal vervolgen, teneinde de vervolging zo mogelijk in één lidstaat te concentreren. Daartoe kunnen de lidstaten een beroep doen op elk orgaan of mechanisme dat binnen de Europese Unie is ingesteld om de samenwerking tussen hun justitiële autoriteiten en de onderlinge afstemming van hun optreden te vergemakkelijken. Daarbij zal rekening worden gehouden met de volgende criteria van betrokkenheid:
- het strafbare feit is gepleegd op het grondgebied van de lidstaat;
- de dader is een onderdaan of ingezetene van de lidstaat;
- de slachtoffers zijn afkomstig uit de lidstaat;
- de dader is op het grondgebied van de lidstaat aangetroffen.
3. Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om zijn rechtsmacht tevens te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 1 tot en met 4 bedoelde strafbare feiten in de gevallen waarin hij weigert een persoon die van een dergelijk strafbaar feit wordt verdacht of daarvoor is veroordeeld, aan een andere lidstaat of een derde staat over te dragen of uit te leveren.
4. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn rechtsmacht de gevallen bestrijkt waarin een in de artikelen 2 en 4 bedoeld strafbaar feit geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied is gepleegd, ongeacht de plaats waar de terroristische groep haar basis heeft of haar criminele activiteiten uitoefent.
5. Dit artikel sluit de uitoefening van een door een lidstaat krachtens de nationale wetgeving vastgestelde rechtsmacht niet uit.
Artikel 10
Bescherming van en bijstand aan slachtoffers
1. De lidstaten verzekeren dat, in ieder geval ten aanzien van feiten die op het grondgebied van de lidstaat zijn begaan, een aangifte of klacht van het slachtoffer ten aanzien van de strafbare feiten die onder dit kaderbesluit vallen geen noodzakelijke voorwaarde is voor het instellen van een onderzoek naar of een vervolging van die stafbare feiten.
2. Naast de maatregelen die zijn voorgeschreven door Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure(9), neemt iedere lidstaat indien nodig alle mogelijke maatregelen om te zorgen voor passende bijstand aan de familie van het slachtoffer.
Artikel 11
Uitvoering en verslagen
1. De lidstaten treffen de maatregelen die noodzakelijk zijn om uiterlijk op 31 december 2002 aan de bepalingen van dit kaderbesluit te voldoen.
2. Uiterlijk op 31 december 2002 delen de lidstaten de tekst van de bepalingen waarmee de verplichtingen die dit kaderbesluit hun oplegt worden omgezet in hun nationale recht mede aan het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie. Op basis van een naar aanleiding van deze mededelingen opgesteld verslag en van een verslag van de Commissie, controleert de Raad uiterlijk op 31 december 2003 of de lidstaten de maatregelen hebben genomen die noodzakelijk zijn om aan dit kaderbesluit te voldoen.
3. In het verslag van de Commissie wordt met name de omzetting van de in artikel 5, lid 2, bedoelde verplichting naar het strafrecht van de lidstaten aangegeven.
Artikel 12
Territoriale werkingssfeer
Dit kaderbesluit is van toepassing op Gibraltar.
Artikel 13
Inwerkingtreding
Dit kaderbesluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad.
Gedaan te Luxemburg, 13 juni 2002.
Voor de Raad, De voorzitter, M. Rajoy Brey"

Commentaires