Blues over Gaza, tussen verdriet en verzet
Het is 8 uur. Ik zit op het terras, vierde verdieping, tussen de bloemen en de planten, we hebben zelfs een paar trosjes druiven dit jaar. De sliertjes wolkjes smelten weg door de zon die achter de daken verschijnt. De Palestijnse vlag wappert stevig. Net als bij enkele anderen in de straat, hangt ze hier al drie jaar op ons terras. We moesten ze al eens vervangen, ze was bijna aan flarden gescheurd en verbleekt door wind en zon en regen. Alsof ze ons wou zeggen: dit is alles wat er overblijft van Gaza. In Gaza zijn er geen terrassen meer. Geen bougainvillabloemen meer die ooit de straten en terrassen sierden. Bloemen vind je daar alleen nog op de kerkhoven.
Ik drink mijn eerste koffie, zwart met suiker, op z’n Italiaans. Mijn eerste sigaret: Lucky Strike-roltabak. Niet meer dan tien sigaretten per dag, of toch ongeveer, anders verklaren mijn dokters me helemaal voor gek. De vuilnisophalers zijn weg. Duiven scheren langs de appartementen - de vliegende ratten van de stad, worden ze wel eens genoemd. Toegegeven, ze zijn met te veel, maar de kinderen lopen er joelend achteraan en amuseren zich, ik zou ze niet willen missen.
Bus 46 rijdt sinds een paar uur heen en weer, tussen Moortebeek, Pannenhuis en weer terug. De vakantie is voorbij, de school is al een paar weken herbegonnen. Op het voetpad trekt een stoet zich op gang, mannen, maar vooral moeders, met kinderen aan de hand. Richting crèches en naar een van de talrijke scholen in de buurt. Iedereen met zijn zorgen, die van elke dag, maar nog meer over wat de toekomst brengt.
Aan de verkeerslichten trekken de auto’s op. De fietsen en de steps, die laatste zolang het nog kan en mag. Grote vrachtwagens die met moeite kunnen draaien in de kleine straten, op weg naar een bouwwerf of naar de supermarkten in de buurt. De taxi’s. De postbedeling. De eerste loeiende sirenes van politie, brandweer of ambulance. Drilboren, motoren en stemmen lopen door elkaar; stilte is ver te zoeken.
Op mijn GSM schuiven de eerste foto’s voorbij. Een uitgemergelde Palestijnse gevangene, in bruin gevangenisuniform, in een gerechtszaal. Een andere, met een lange baard in een rolstoel, pas vrijgelaten, die verneemt dat zijn vader en zijn moeder zijn omgekomen door een Israëlisch bombardement tijdens zijn detentie. Hij wist het niet.
En dan is er de foto van het voetbalveld in Gaza tussen het puin. Een foto die hing op een van de reuzegrote panelen van het Sport Images Festival in Deauville, een rijke Franse gemeente, tot hij werd gecensureerd en weggehaald onder druk van zionisten.
Misschien vreesden ze dat de foto het publiek deed terugdenken aan het getto van Warschau? Of aan de concentratiekampen van Auschwitz en andere plaatsen van menselijke horror waar er ook mooi aangelegde voetbalvelden waren, met bloemen errond? Primo Levi schrijft erover in zijn boek “Les naufragés et les rescapés” en Tadeusz Borowski in zijn “Here in our Auschwitz, The people who were walking”. Wie de verpletterende boeken van deze twee Auschwitz-overlevers erop naleest, zal me zeggen dat de vergelijking met Gaza niet opgaat. Gaza is inderdaad geen copy van wat 80 jaar geleden gebeurde. Maar het beeld op de foto van het voetbalveld in Gaza spreekt voor zich. Het illustreert wat Levi en Borowski gemeen hebben. Ze zijn niet vastgepind op “het unieke” van Auschwitz, maar ze wijzen ons op het “universele” van dit uitroeiingskamp, “op de menselijke capaciteit om elk moreel of ethisch kompas volledig te verliezen.” “Auschwitz is gebeurd en wat gebeurd is kan opnieuw gebeuren, schrijft Levi, dat is de kern van wat we te zeggen hebben”.
Ja, Gaza is onze hedendaagse versie van het concentratiekamp van Auschwitz. Gaza is ons getto van Warschau. Gaza is ons Guernica. Gaza is ons Vietnam. Gaza staat voor meer tonnen bommen dan er tijdens de Tweede Wereldoorlog op Londen, Dresden en Hamburg samen zijn gedropt.
Ik bedenk dat ik vanuit mijn bevoorrechte situatie geen enkele van al die kampen en oorlogen heb meegemaakt. Wie ben ik dan om daar over te schrijven. Misschien is schrijven te vergelijken met het dragen van een Palestijnse sjaal. Een vorm van spreken, om te antwoorden op de oproep “Never stop talking about Palestine”.
| zone of interest |
Ik leg mijn telefoon opzij en kijk terug naar mijn straat.
Aan de overkant staat er elke morgen een grootmoeder met haar kleinkind. Het kind draagt een koptelefoon — of zijn het oorbeschermers omdat hij niet tegen het lawaai kan? Ik ken dat jongetje, hij moet een jaar of zes, zeven zijn. Wanneer we in het parkje pingpong spelen, schuift hij langs de zijkanten van de betonnen tafel en probeert hij onze paletten af te nemen. Ik zie hoe zijn grootmoeder met de minuut ongeruster wordt. Ze streelt hem over het hoofd. Dan arriveert het schoolbusje voor kinderen met een handicap. In de buurt wonen er wel meer zulke kinderen, en ook gehandicapte ouderen, in een rolstoel of met een rollator.
Er zijn de alleenstaanden en de gezinnen met vier of vijf kinderen die te krap behuisd zijn. Geen huiseigenaren hier, ook geen vetbetaalde functionarissen van het Europees Parlement of van de Navo. Allemaal huurappartementen, eigendom van de stad, met dezelfde zwarte omlijsting van de ramen, allemaal working class en kleine zelfstandigen en mensen met een uitkering, pensioen, ziekte of OCMW.
Hier komt een wereld samen. Eid’s Mode van de Palestijn, de conciërge uit Roemenië, onze buren uit Guinée, de electriciteitswinkel van Hamid, het zwarte Kilimanjaro café en het White Horse café gerund door Latino’s, de sandwicherie M&Z, de Pakistaanse moskee en een Boeddhistische tempel wat verderop, de laatste witte krantenwinkel omgevormd tot een semi- postkantoor, mijn tandarts afkomstig uit Thailand of Laos, mijn Marokkaans-Belgische kapper, twee dokters- groepspraktijken en twee buurthuizen om de hoek, een begrafenisondernemer waar je nooit iets ziet bewegen, en dan de stadsdiensten die ze hier hebben ingeplant nadat alle andere kleine handelszaken, de bloemenwinkel, de viswinkel, de slager, de bakker, een na een verdwenen zijn. Niet omwille van “de migranten”, maar omwille van de grote warenhuisketens in en buiten de stad of omdat de huur onbetaalbaar is geworden.
En o nee, het is hier niet allemaal peis en vree. Het is hier nog geen buurt gebrandmerkt als “hotspot”, zoals dat tegenwoordig heet. Synoniem, niet van meer zorg, hulp en opvang, maar van meer politie. Er is hier wel al een tweetal keer geschoten in de straat, maar zonder erg, in het parkje slapen er vaak mensen buiten, onder een boom op het gras, onder de pingpongtafel of in de hondenweide, al dan niet op een matras. Er zijn de bidons met lachgas en de andere drugs. De Samu social wat verderop. De man met verwarde haren en op blote voeten die regelmatig schaterlachend midden op de straat staat of languit op het voetpad ligt. Soms enkele joy-riders met auto’s of bromfietsen vooral laat in de avond of ‘s nachts.
Ik zou mijn buurt niet willen missen. Dit is mijn thuis. Een thuis waar ze in Gaza alleen maar van kunnen dromen en naar kunnen verlangen. Achter een winkelraam in de buurt trof mij die zin : “The absence of the meaning of home”, de titel van een kunstproject van een Palestijnse universiteit en een Belgische kunsthogeschool. Dat is Gaza.
In Gaza is het nu een uur later.
Ook daar begint een nieuwe dag.
![]() |
| photo Reuters |
De cijfers zijn niet te vatten. Hier leven twee miljoen getraumatiseerde mensen samengeperst op een oppervlakte kleiner dan die van de negentien Brusselse gemeenten samen. Een miljoen van hen leeft in tenten, anderen leven in woonblokken die op instorten staan. Tussen puin en toxisch afval. Volgens de UNO is meer dan 80% van alle infrastructuur in Gaza met de grond gelijkgemaakt en ligt er zo’n 68 miljoen ton puin. Hier geen stoet van vaders en moeders die hun kinderen naar school brengen. Meer dan 600 000 kinderen zitten zonder school, want 90% van alle scholen zijn vernietigd of hun leraren zijn dood. Het wordt een dag van zoeken naar eten, drinkbaar water, medische verzorging.
Niemand van mijn naoorlogse generatie kan zich voorstellen hoe het is om in Gaza te overleven. Niemand. In onze contreien kunnen alleen de mensen dat die in gammele bootjes de Middellandse Zee of het Kanaal probeerden over te steken en de reis overleefden. Of de mensen die een aanslag meemaakten. Of gevangenen, naakt, in een papieren overall in een isolatiecel. Of de mensen die alles verloren door een overstroming of een brand. Met dat verschil dat wat in Gaza gebeurt bewust en gepland mensenwerk is, geen natuurramp.
In zijn wekelijkse column voor de Irish Examiner van 19 september gebruikt Colin Sheridan 800 van de 1000 woorden waarover hij in zijn column beschikt om de dingen op te noemen die Israël niet in Gaza wil toelaten. Achthonderd! Dat gaat van schoolboeken, schriften, pennen, potloden, kleurpotloden en andere schoolbenodigdheden tot vers of bevroren vlees, tot babyvoeding en bestek, tot luiers en shampoo, tot pijnstillers en geneesmiddelen tegen kanker, tot rolstoelen en toiletten, tot ziekenhuisbedden en couveuses en krukken en dialyseapparatuur en naaimachines en pompen…
“Ik zou nog zo’n lijst kunnen maken”, schrijft Colin Sheridan, "Elk item is een gedocumenteerd feit, geen opinie of een uitvindsel. Niet alleen mag er geen voedsel binnen, maar ook de middelen om het te verbouwen mogen niet binnen; er mag niet alleen geen water binnen, maar ook de middelen om het te vinden, te zuiveren en op te pompen komen er niet in. Niet alleen geen medicijnen, maar evenmin de apparatuur die nodig is om ze toe te dienen.”
En hij houdt ons allemaal een spiegel voor wanneer hij zijn column afsluit met een bittere uithaal naar de Ieren die aanschoven voor een selfie met Trump toen die recent in Ierland golf kwam spelen. En naar de coach van de Ierse voetbalploeg die van een match tegen Israël geen probleem maakt, en naar Ed Sheeran, en naar de Ierse regering, die blijft handeldrijven met Israël. “Ga maar door met selfies maken. Blijf maar apolitiek. Speel uw sportwedstrijden maar. Organiseer uw concerten. Onderteken die contracten. Geniet ervan. Maar verwar uw comfort niet met onschuld, en uw macht niet met morele straffeloosheid. Elke foto, elk gevlei, elke voetbalwedstrijd, elk optreden en elke transactie is een subtiele goedkeuring van het brute kwaad. Dat alles heeft een prijs. Alleen ben jij het niet die die prijs moet betalen.”
Binnenkort is het tijd voor de officiële herdenkingsceremonies voor de Israëlische slachtoffers van 7 oktober 2023, de dag van de uitbraak uit het getto van Gaza. De vlaggen zullen halfstok hangen, alle namen van de doden zullen worden voorgelezen. Misschien komt er ooit een dag waarop de Palestijnse slachtoffers van de genocide zullen worden herdacht. Alleen zal dan één dag om alle namen voor te lezen, niet volstaan.
Volgend artikel : Blues over Gaza, het verzet



Commentaires